Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veronderstelling niet gewaagd is, dat de beide bedoelde Aartsdiakenen wel wisten wat zij deden.

Deze constructie schijnt mij aan alle feiten recht te laten wedervaren, hetgeen m. i. niet gezegd kan worden van de voorstelling, die den patroon enkel laat voordragen en den voorgedragene alleen een recht op collatie toekent. De Canonisten gingen trouwens ook reeds zoo ver, dat zij de nominatie gedaan door den bezitter van een ius patronatus eccleasticum, — d. i. van een patronaatrecht, dat een geestelijke of geestelijk lichaam q.q. toekwam, — „quasi-collatio" noemden en haar de kracht van een „electio" toekenden x). Het verschil tusschen de uitoefening van een ius patronatus laicale en van een geestelijk patronaatrecht bestond niet in de werking, die het had ten opzichte van den Bisschop of den Aartsdiaken, maar ten aanzien van den genomineerde zeiven. Wel werd in het algemeen dezen een ius ad rem toegekend, maar, wanneer een leek hem had aangesteld, hing, zoolang de institutie niet gevolgd was, het zwaard der herroeping van de aanstelling hem steeds boven het hoofd -); als daarentegen een geestelijke hem benoemd had, was zijn recht ook tegenover dezen vast, „quia illorum praesentatio vicem habet electionis". Van een leek mocht wankelmoedigheid geduld worden, voor een geestelijke gaf deze geen pas; gene had een ius variandi, deze niet 3).

1) Cf. v. E., II. III. VIII. II. §§6, 7, 12, 20, 21. Cf. Hinschius 1. c. III. p. 51.

2) Uit dien hoofde kent Hinschius (1. c. III. p. 51) alleen aan den door een patronus ecclesiasticus benoemde een ius ad rem toe; de door een leek gepresenteerde heeft er enkel aanspraak op, dat de Bisschop of de Aartsdiaken bij de benoeming hem niet voorbijga, d. i. hetzelfde recht, dat hij ook toekent voor het geval door een patroon meerderen gepresenteerd worden, in welk geval ieder van dezen slechts een recht zou hebben hierop, dat het benefice aan een van hen en niet aan een derde begeven werd.

3) Zoo mocht ook een leek, wanneer hij een naar het Canonieke recht onbevoegde gepresentee-d had, op deze presentatie terugkomen; binnen den voor de begeving bepaalden termijn behield hij zijn recht, een ander ter institutie voor te dragen. Een patronus ecclesiasticus daarentegen verloor in dit geval voor de vervulling der bestaande vacature zijn recht; een onwaardige presentatie kon van hem niet geduld worden; deed hij het toch, dan confereerde de Bisschop of de Aartsdiaken zelf het benefice. Cf. v. E., II. III. VIII. V. $ § 23, 24.

Sluiten