Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

et ipsius rcctorem ad percipiendum dccimas ct ad ipsarum possessioncm seu quasi restituendum et reintegrandum fore et restitui (et) reintegrari"; etc. J). Het op dezen eisch den 13^11 Jan. 1371 door den pauselijken gedelegeerden rechter gewezen vonnis handhaafde den in het vorige gesanctioneerden rechtstoestand :... „prefatas decimas et jus percipiendi easdem,. .. ad dictos dominos decanum pro tempore et capitulum ac eorum ecclesiam beati Petri predictam spectasse et pertinuisse et spectare et pertinere", etc.

De pastoor, de vicaris etc. was dus degeen, die het door hem bezeten benefice vertegenwoordigde, in en buiten rechte; natuurlijk, want hij was er de bezitter van.

§ 2. Het beheer van kapittelviearieën in het bijzonder.

Of dit altijd het geval was? Of de bezitter van een vicarie altijd zelf de vicariegoederen beheerde?

De vraag is vooral van belang ten aanzien van de in kapittelkerken gefundeerde vicarieën, van welke in den regel het collatierecht aan de kapittelen toekwam. Omtrent deze vicarieën is geen algemeen geldend antwoord te geven -).

Laat ons nagaan wat er bij de verheffing der Amersfoortsche parochiekerk van St. Joris tot kapittelkerk door bisschop Jan van Diest den 2istcn Aug. 1337 geschiedde3).

1) Tevens beweerde hij, dat de kapel te Tricht geen afzonderlijke kapellanie was, maar dat zij met de parochiekerk van Malsen vonnde „unum et idem beneficium indistinctuin", in zijn geheel door den pastoor te bedienen; en dat, zoo er in de parochie van Malsen een kapel aanwezig was „legitime dotata et fundata" de collatie daarvan toekwam aan den rector in der tijd van deze parochie, en nie.. aan het kapittel van St. Pieter.

Ik wijs hier slechts op, omdat de hier door S. v. Manher gemaakte tegenstelling in het licht stelt, dat door dotatie een afzonderlijk vermogen in het leven geroepen werd, dat een binnen een parochie gefundeerde en gedoteerde kapel niets had uit te staan met het pastoorsbenefice van deze.

Dat overigens de hier bedoelde kapel wel degelijk een afzonderlijk benefice vormde, blijkt uit de acte d.d. 2 Nov. 1315, waarbij de vicaris-generaal van den Bisschop op de fundatie en dotatie ervan „consensum et auctoritatem" verleende.

2) Geheel onjuist is wat men omtrent de kapittelviearieën leest bij Mr. Verloren 1. c. p. 107.

3) Rijksarch. Utr. Arch. v. d. Dom. Een niet al te nauwkeurige vertaling van

8

Sluiten