Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonder nochtans de toepasselijkheid van de door hen ten bewijze van het eigendomsrecht der Algemeene Kerk bijgebrachte rechtsinstituten voor het geestelijke vermogen aan te toonen.

Zoo schildert Sternberg de verhouding van de Algemeene Kerk tot de bijzondere kerkelijke instituten als die van den familievader tot zijne zonen en slaven iure Rom°., wien hij een peculium kon toestaan; deze verhouding was naar hij ons meedeelt, „das genaue Abbild" van gene 1).

Evelt weet drieërlei analogie te ontdekken in het moderne rechtsleven. Hij wijst op het bestaan van verschillende zelfstandige administraties in den Staat, als „Forstfiscus", „Domainenfiscus", „Militairfiscus", waardoor de eenheid van het Staatsvermogen niet wordt opgeheven. Verder voert hij het zgn. „Biirgervermögen" der steden aan als een bewijs, dat de eenheid van het stedelijke vermogen niet verbroken wordt door het feit dat de stedelingen als individuen aanspraak op het genot van de ertoe behoorende goederen hebben. En ten derde construeert hij het kerkelijke vermogen als „ein groszes FamilienFideicommisz", dat in eigendom behoort aan de Algemeene Kerk als de familie, terwijl de particuliere kerken en beneficiën als de familieleden-bezitters van de fideicommissaire goederen er enkel een „Nieszbrauch" van hebben 2).

De juistheid van de beelden op zich zelve laat ik geheel ter zijde; en evenzeer spaar ik mij de moeite de aanknoopingspunten tusschen het beeld en het afgebeelde na te gaan; ik bepaal mij tot het overnemen van de treffelijke opmerking van Hübler: „Soll mit solchem Analogisiren nur die Möglichkeit dargethan werden, dasz die kirchlichen Gtitermassen einem einzigen Rechtssubjecte angehören und doch Gegenstand eines

1) Sternberg: Versuch einer juristischen Theorie vom Eigenthum der römischkatholischen Kirche (Stuttgart 1860); bij Hübler 1. c. p. 101.

Een dergelijke analogie kan in het peculium castrense gezocht worden, die zich nog laat opluisteren door de vergelijking van de geestelijken als milites Christi met de milites saeculi. Cf. Richter-D. 1. c. p. II19, noot 12.

2) Evelt: Die Kirche und ihre Institute auf dem Gebiete des Vermogensrechts (Soest 1845); bij Hübler 1. c. pp. 101—103.

Sluiten