Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dat vóór de Reformatie dit gevolg rechtens onmogelijk geweest ware, omdat de geestelijke goederen als zoodanig aan de jurisdictie der wereldlijke Overheid onttrokken waren en het de geestelijke Overheid was, die over het bestaan der geestelijke lichamen en de bestemming hunner goederen te beschikken had, evenals het wereldlijke gezag dit te doen had op zijn terrein met de wereldlijke lichamen en hunne goederen *).

II. De kerkelijke gemeenten zijn eigenaressen van de geestelijke en kerkelijke goederen.

Deze theorie beschouwt elke particuliere kerk als een afzonder-

Wanneer er gronden aanwezig zijn voor een andere behandeling van openvallende vermogensrechten, dan moeten deze in een goede wetgeving ook tot hun recht komen; voorbeelden van dergelijke regeling, die zeer verschillend kan zijn in de middelen waarmee men het doel bereiken wil, zijn het erfrecht bij versterf, art. 1702 B. W., art. 9 der wet van 28 Juni 1854 Sb. 100, art. 11 der wet van 22 Apr. 1855 Sb. 32.

Art. 572 van het Ontw. t. herz. v. h. B. W. van 1886 laat bij het te niet gaan eener stichting hare goederen als bona vacantia den Staat toevallen, zonder nader te regelen wat er daarna mee geschieden moet; in de Memorie van T. wordt gezegd, dat dit geschied is, omdat in casu alleen voor elk bijzonder geval een juiste wettelijke regeling kan worden getroffen. Dit stelsel is een gevolg van art. 576 B. W., dat den Staat van rechtswege tot eigenaar der bona vacantia maakt. Een ander stelsel geeft art. 9 der wet op het armbestuur, zegt Mr. Lohman, doch ten onrechte, daar dit art. 9 niet op het te niet gaan eener stichting doelt maar enkel op het vervallen van haar doel, hetgeen tot opheffing der stichting zou kunnen leiden maar zelf geen opheffing involveert.

I. p. zij opgemerkt, dat naar het Nederl. recht de theorie, die het doel eener stichting als het vermogenssubject beschouwt, onjuist is; volgens haar zou immers door het wegvallen van het doel het vermogen vlgs. art. 576 B. W. aan den Staat vervallen, terwijl art. 9 aan de Gedep. Staten en den Koning zeker toezicht toekent en meer niet. Cf. Meurer 1. c. I. pp. 79>

1) Cf. Meurer 1. c. II. p. 423.

Of de geestelijke Overheid dit recht bezit in een bepaalden staat, hangt van het aldaar geldende recht af.

Wanneer de wet zwijgt, zal men het haar niet kunnen toekennen, tenzij wel erkend wordt haar bevoegdheid tot incorporatie, unie, dismembratie etc ; immers aan wien het meerdere heeft zal men in den regel het mindere niet kunnen ontzeggen.

Meurer (II. p. 429) loochent zonder oorzaak den samenhang dezer beide bevoegdheden; m. i. hebben Hammerstein en Lehmkuhl, geciteerd bij Meurer 1. c. II. p. 425, het in casu bij het rechte eind.

Of een bepaalde Staat deze hiërarchische bevoegdheid erkent, is een andere quaestie.

Sluiten