Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een nasciturus en een zuigeling; in hen is nog geen wilsvermogen, geen actualiteit, geen reëele kracht; evenmin als uit een eikel planken gezaagd kunnen worden, evenmin komen er uit een nasciturus of een zuigeling wilsuitingen, althans niet in den juridischen zin des woords. Nummer twee wordt bij elk normaal mensch aangetroffen; ook een krankzinnige kan willen, maar in dit geval wordt de wil door het recht als niet bestaande aangemerkt. Nummer drie is er bij een stichting; de stichter richt zijn wil op een bepaald doel en legt zijn wilsuiting vast in den stichtingsbrief; er is hier geen potentieel en geen actueel wilsvermogen maar een bepaalde wils uiting.

Deze dooreenhaspeling is evenwel voor Zitelmann c. s. onmisbaar ; zoo alleen kunnen zij hun stelsel, dat n.1. de wil het rechtssubject is, onverschillig of hij in een lichamelijk, dan wel in een onlichamelijk wezen bestaat, ') handhaven, zoo alleen een quasi-antwoord geven op deze vragen:

Wie is het subject van het vermogen, dat aan een nasciturus toevalt ?

Wie is het subject eener onbeheerde nalatenschap?

Waarom is een zuigeling het subject van zijn vermogen? En een krankzinnige?

Hoe kan men rechten hebben zonder dat men het weet?

Wie is in een stichting het willende wezen? En in een corporatie ?

Is de ongeboren vrucht rechtssubject ? en de zuigeling ? en de krankzinnige? Bij de twee eersten is er een potentieel wilsvermogen en bij den laatste is er ook actueele wil, maar op dezen wordt door het objectieve recht niet gelet en

Wat is een wil, die niet anders kan willen?!

Wat is een geobjectiveerde en georganiseerde wil?!

Hoe kan een wil bestaan zonder, bv. na den dood van, den willer?! Wil was immers praedicaat, en „Grundform des Denkens" was juist: geen praedicaatzonder subject. O Zitelmann!

Bij een stichting is de wil dus zijn eigen subject, en die wil is dan nog de wil van den stichter, dus van een ander subject!

„An Worte laszt sich trefflich glauben,

Von einem Wort lïszt sich kein Jota rauben".

I) Zitelmann 1. c. p. 112: „Juristische Personen sind unkürperliche Willen".

Sluiten