Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die altijd aan de werkelijkheid getoetst moeten worden, zijn den realist ideeën. Het is een geloofsquaestie, die nooit het wetenschappelijke onderzoek mag doen verkommeren. Ook de zedelijke waarheden, die uiteraard a priori gekend worden, worden niet als algemeene ideeën maar in concretis gekend; uit deze concrete zedelijke gegevens hebben wij door waarneming en abstractie de zedelijke ideeën ons op te bouwen. Juist omdat de concrete ethische feiten niet willekeurig zijn maar uit innerlijke noodzakelijkheid voortspruiten, d. i. openbaringen van ideeën zijn, vormen zij de materie om er de ideeën uit af te leiden. Zoo is het ook met het begrip subjectief recht, dat alleen uit de rechtsverschijnselen kan worden gevormd en niet aan deze moet worden opgedrongen. Aldus wordt juist alle aprioristische willekeur afgesneden ; Zitelmann kan zich dan ook moeielijk erger vergissen dan hij doet, wanneer hij deze methode meent op één lijn te moeten stellen met de handelwijze van hem, die in eenig opzicht uit den band was gesprongen en dit nu aldus trachtte goed te praten: „Ach was, die Menschen haben den Begrifïf der Tugend erst gemacht, und zwar viel zu eng. Er musz so erweitert werden, dass meine Handlung auch noch unter ihn fallt, und dann ist sie ja eine tugendhafte". (1. c. p. 31). Zeker, als Z. de zaak zóó inziet, begrijp ik mij zijn polemiek tegen de subjectlooze rechten zeer wel; maar hij zag ze verkeerd in, zóó staat het er niet mede.

De concrete zedelijke waarheden dringen zich aan ons op, zijn geen product van verstandelijke redeneering en worden in geen geval willekeurig vastgesteld. Zitelmanns geloof in de kracht der ideeën schijnt niet bijster sterk! De geboden van doen en laten zijn a priori, maar de begrippen, de ideeën die er in heerschen, kunnen alleen a posteriori worden gekend, willen ze niet alle aanspraak op objectiviteit verliezen.

Door deze algemeene lofspraak op het realisme, een pliilosophische, metaphysische geloofsbelijdenis, door Zitelmann misbruikt tot inperking van het feitenonderzoek, meent hij gerechtigd te zijn om klakkeloos over te gaan tot zijn medegedeelde definitie van recht: „ein mit objectiver Geltung ausgestattetes Wollendürfen".

O

Sluiten