Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pauselijke of Roomsche leerstellingen en gebruiken, omdat dit strijdig was met de ware Christelijke of Apostolische belijdenis.

Deze uitzuivering van misbruiken had de Jacobsparochie gemaakt tot een zuivere Christelijke kerk, hetgeen zij wel altijd had wilen zijn, doch niet geweest was.

Zij was dus gebleven wat zij steeds was geweest, een Christelijke kerk, doch nu gereformeerd.

Nieuwe bestuursorganen waren niet ingevoerd, de oude waren blijven functioneeren: kerkmeesters, potmeesters, pastoors.

Als maatstaf dier reformatie gold de H. Schrift.

Het kerkverband was verbroken door de St. Jacobsparochie zelve, daarin gesteund door den Raad, die hierdoor het geldende kerkrecht op zijde had gezet.

De Kapittelen, de Aartsdiaken inbegrepen, hadden alleen betwist de competentie hiertoe van den Raad, en volgehouden, dat het tot de bevoegdheid der Staten-Generaal behoorde x).

i) De reformatie der St. Jacobsparochie beantwoordt aan de voorstelling der Reformatie gegeven door Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman en Dr. F. L. Rutgers (De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken, 2de uitg. Amsterdam 1887, p. 12): „In elke stad, in elk dorp waar de Hervorming doordrong verwierp de oude» bestaande gemeente datgene wat zij voor dwaling hield; beschouwde zich als de oude, voortbestaande, doch nu gereformeerde Kerk, en bleef in het bezit van de haar toekomende [of voor haar bestemde] goederen, terwijl zij als haren vertegenwoordiger eenig en alleenlijk haar eigen leeraar of leeraars en opzieners, eL i. haren kerkeraad, beschouwde. Onderworpenheid aan priesters van hoogeren rang, van welken aard ook, werd verworpen; de rechtmatigheid van elke priesterlijke hiërarchie, de bevoegdheid van hoogere geestelijken om kerkelijke besturen te ontslaan, uit beginsel en geloofsovertuiging ontkend. Soms ging de pastoor met de gemeente over, soms ook niet; maar in alle streken waar de Gereformeerde Overheid haar macht kon doen gelden werd de opvatting gehuldigd, dat de oude gemeente of kerk, nu gereformeerd naar den Woorde Gods, was blijven bestaan".

Hetzelfde beeld geeft Dr. A. Kuyper ons van de Reformatie, 1. c. p. 146: „Onze vaderen, die in de zestiende eeuw de reformatie der kerken van Amsterdam, Rotterdam, Utrecht enz. ondernamen, kwamen niet tot breuke met hun kerk, d. i. met de kerk hunner woonplaats of zelfs van hun kerspel. Ze kwamen tot breuke met de organisatie van hun plaatselijke kerk; ze kwamen tot breuke met het verband waarin hun kerk met andere kerken stond, maar hun kerk als kerk bleef in haar geheel; was na de reformatie dezelfde als ze van te voren geweest was; en leidde niet tot het stichten van een nieuwe kerk naast of tegenover de bestaande. Al wat geschiedde, was dat de bestaande kerk in professie en eeredienst en organisatie van misbruiken gezuiverd werd".

Sluiten