Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De predikanten zouden in alle kerken prediken, „met gebeurten volgens de ordre des Kerkenraeds . (art. 17)-

„Die van een ander Gereformeerde Kerken van 't gebruyk des Avondmaels afgehouden of afgesneden is, sal niet ontfangen worden voor al eer hy die Kerke voldaen hebbc, of door authoriteyt der Provintiale Synode in sijn geheel gestclt

werde". (art. 18).

Aan het slot stond de verklaring: „Dese articulen als met de leere der Propheten en Apostelen over een komende, getuygen dese ondergeschreven datse toestaen cn aennenicn, ter tijd toe de Synodus wederom gehouden sal werden

De Jacobskerk, vertegenwoordigd door hare predikanten (althans door twee van hen) erkende dus, dat zij voorheen geen „welgestelde" kerk was geweest — zij het dan ook vi coacta! —, en gaf niet alleen haar isolement prijs, maar loste zich zelfs geheel op; dat zou men prima facie meenen, doch ten onrechte. De Jacobsparochie — later zal ik het aantoonen bleef vermogensrechtelijk wat zij was; alleen op het in den eigenlijken zin des woords gezegde kerkelijke terrein had zij haar subjectiviteit verloren; maar in het vermogensrecht bleef zij optreden, evenals de andere kerspelen; op de parochiale goederen, het kerkgebouw inbegrepen, had de vereeniging rechtens derhalve geen invloed.

Toen de beide Gereformeerde kerken te Utrecht samensmolten , was de Gereformeerde Christelijke leer reeds van overheidswege als de „ware" Christelijke erkend; was derhalve de Roomsche leer als kettersch verworpen en haar uitoefening in de Christelijke kerken verboden.

De aanleiding hiertoe was de volgende.

In den avond van den 7de» Mrt. 1580 kwam te Utrecht de tijding, dat Rennenberg zich van Groningen had meester gemaakt en dat de Gereformeerden aldaar „qualicken getracteert ende eensdeels omgebracht waren'' *). De woede hierover keerde zich tegen de Geestelijkheid, die beschuldigd werd met den vijand in contact te zijn — hetgeen zij ten sterkste ont-

1) Vroedsch. resol.

Sluiten