Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 10. Eveneens van de vervreemdingen, verpandingen en verhuringen voor langen termijn, die gedurende het laatste jaar hadden plaats gehad; opdat c. q. geprocedeerd werde „tot revocatie ende cassatie", „ofte ten minste tot reductie opde behoorlijcke prijse ende valuer".

Art. 11. Te dezen opzichte moesten zij de Staten van advies dienen.

Art. 12. Van elk convent moesten de inventaris benevens de administratieve stukken afzonderlijk worden gehouden.

Art. 13. Zij moesten de in Utrecht gelegen goederen, die met schulden, zoo reëele als personeele, bezwaard waren, van deze zien te bevrijden met kennisse der Staten.

Art. 14. Tot deze bevrijding moesten in de eerste plaats worden gebezigd de goederen buiten de Provincie gelegen, die daartoe verkocht, in erfpacht uitgeslagen of verpand konden worden.

Art. 15. De conventen mochten geene verhuringen sluiten zonder dat minstens één der gecommitteerden er bij tegenwoordig was, op straffe van nietigheid.

Art. 16. De verhuringen moesten de gecommitteerden „approberen".

Art. 17. Zij moesten toezien, dat geene ongeregeldheden in de verhuringen plaats grepen; zelve mochten zij er geen deel in hebben, direct noch indirect.

Art. 18. „Item zullen sien off zyluyden een eenparigen voet opde ransoenen zouden connen inbrengen, ende van yeder huyre bedingen een 4e paert van een jaer pachts te ransoen".

Art. 19. Zij moesten toezien, dat geene insolvabele pachters werden aangenomen.

Art. 20. En dat geene verhuringen voor langer dan 9 jaren geschiedden.

Art. 2i. Jaarlijks moest hun door de conventen rekening en verantwoording worden gedaan.

Art. 22. De rekeningen moesten hun 14 dagen van te voren worden geleverd.

Art. 23. Voor het sluiten ervan zouden zij 15 stuiver vacatiegeld per dag genieten.

Art. 24. Het slot der rekeningen moesten zij den Staten rnededeelen, „ende zoo daer eenighe penninghen opt slot vande rekeninge overschieten, zullen die employeren tot behouff vande convente, tzy tot betaelinge vande schulden, afllossinghe van rhenten oft andersins".

Art. 25. Zij moesten toezien, dat de conventen geene insoliede

Sluiten