is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gereformeerden hadden geen recht op de kerken; alleen de beschikkingen van den Raad openden hun de kerkdeuren. Waaraan zou de Jacobsparochie het recht hebben ontleend de gehoorzaamheid aan het geestelijke gezag op te zeggen en den dienst te reformeeren, als de Raad haar niet in het gelijk had gesteld, haar goed recht niet had erkend? De kerk hoorde zeer zeker aan de parochie, maar welke religie, de „oude" of de „nieuwe", moest er in worden uitgeoefend? Dat was de quaestie, en deze kon alleen door de Overheid worden opgelost. De Consistoriale kerk had zelfs geen recht op gebruik van eenig kerkgebouw, zij was een nieuw lichaam , dat alleen uit handen van den Raad het genot van de Minrebroederskerk of van een parochie- of kapittelkerk ontvangen kon.

De uit de samensmelting der Consistoriale kerk met die van St. Jacob ontstane Utrechtsche kerk had van de door haar gebruikte gebouwen niet het eigendomsrecht; het is haar nooit getransporteerd, hetgeen toch noodig geweest ware, daar het onroerend goed gold x).

Met de parochiekerken in de Stad hebben de Staten zich niet ingelaten; zij bepaalden zich tot het verbod van den Roomschen eeredienst, en tot art. 48 der Instructie en art. 5 van het Redressement, welk eerste artikel slechts voorschreef, dat de Directiekamer de goederen „vande kercken" zou inventariseeren. Van een eigendomsrecht der Provincie op de kerken is dus in het geheel geen sprake. De Staten erkenden uitdrukkelijk het recht van anderen. „Kerckmeesters ende gemeene buyren der parochie van St. Jacobs" hadden in Januari 1590

1) Geheel onjuist is wat Prof. Royaards (1. c. dl. XVII. pp. 222, 223, 228, 229) omtrent de kerkgebouwen weet mee te deelen op grond van den religievrede van 15 Juni 1579. Aan „beide Kerkgenootschappen" (!) werden „gelijke regten" toegekend; „de Hervormden" traden „van dit oogenblik af in het wettig bezit dier kerken". „Het kerkelijk eigendom bleef dus met onderlinge toestemming geregeld". Later werden ook de Dom- en andere kapittelkerken iteven wettig' in hun „bezit" gesteld. „Aldus zijn de Hervormden regtens getreden in het volle bezit dier kerken".

Klooster-, kapittel- en parochiekerken laat de Heer R. dus zonder onderscheid het „eigendom" worden van „de Hervormden", op den enkelen grond dat de Raad hun er „vry ende libere exercitie" hunner religie in toestond! Er zijn grenzen.