Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

luydcr kercken dan met advijs, kcnnisse ende consent vanden Rade voorss." x).

Een tamelijk ernstige poging om meer invloed op die benoemingen te verkrijgen deed de Gereformeerde kerkeraad in het begin van 1703.

Het ambt van voorlezer en voorzanger in de Domkerk was vacant; de Raad benoemde daarom, 15 Jan. 1703, een commissie , „om de retroacta na te zien rakende de begevinge" hiervan, en hem van consideratiën en advies te dienen x). Drie sollicitanten meldden zich bij request ten stadhuize aan; de Raad besloot, 5 Febr., het advies van den kerkeraad te vragen omtrent de bekwaamheid „ende andere qualiteyten" van de requestranten, „om tzelve gezien daarop te worden gedisponeert zoo de Vroedschap zal bevinden te behoren" i). De kerkeraad wendde zich bij monde van Ds. van Breen en Ds. Pontanus tot de Burgemeesters met het verzoek, „dat de kerkenraad een persoon tot de voorss. functie zoude mogen dispicieren ende de Vroedtschap voordragen"; naar aanleiding van welk verzoek de Raad een commissie van rapport benoemde, 19 Febr. *). Nadat haar verslag was ingekomen, besloot de Raad, 2 Apr., niet op het verzoek in te gaan maar te persisteeren bij de resolutie van 5 Febr. 1.1. i). De kerkeraad hield evenwel ook voet bij stuk, en zond het gevraagde advies niet in. Daarop besloot de Raad, overwegende, dat uit de conferentiën tusschen zijne gemachtigden en die van den kerkeraad niet was „gebleken van enig recht den kerkenraad in desen competerende", zonder advies tot de benoeming over te gaan, en benoemde hij den voorlezer en voorzanger der Buurkerk tot hetzelfde ambt in den Dom, 9 Apr. 1703 *).

In haar positie van Opperkerkmeester of van Voedsterheer der Kerk regelde de Stad de materieele kerkelijke behoeften, waarbij tot in allerlei bijzonderheden werd afgedaald.

Zoo zorgde de Stad in haar hoedanigheid van Voedsterheer, dat de Kerk den voor het H. Avondmaal benoodigden wijn kreeg, terwijl zij in haar qualiteit van Opperkerkmeester de

l) Vroedsch. resol.

Sluiten