Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

resolutiën, desnoods reëel te executeeren , terwijl hij zich bereid verklaarde de voorstellen der twee andere leden aan te hooren.

Het Hof had dus het standpunt door de Stad ingenomen gebillijkt!).

De Raad erkende uitdrukkelijk, dat het kapittelhuis niet zijn „eygen goet" was; trouwens dit sprak van zelf. Maar wat de Raad niet erkende, was, dat hij daarom met het kapittelhuis niets te maken had; hij erkende grif, dat het hier niet ging om eenig beweerd eigendomsrecht — dan ware het Hof competent geweest —, maar wat hij niet erkende, was, dat zijn hoogheidsrecht hem niet dekte in wat hij ten aanzien van het kapittelhuis ondernam. Hij beweerde, dat hij de dispositie had over kerken etc., dat hij dit recht placht uit te oefenen, en dat het alleen in zijn arbitrium stond te bepalen, op welke wijze hij zulks zou doen, zonder dat de rechter hiermede iets had uit te staan, i. e. w. dat, wat hij in casu deed, uitoefening van politie was. En dat hij hierin volkomen gelijk had, springt in het oog. Immers de kapittelgoederen, waaronder kerk en verdere gebouwen, waren geen privévermogen der kanunniken , maar waren stichtingsgoederen2), welker bestemming gelegen was in de prediking van het Evangelie; dat de Kapittelen ondanks de Reformatie zijn blijven bestaan, zóó als zij in wezen bleven — een „volkomen redeloos bestaan", zegt Mr. Muller 2) —, is een feit, doch een feit, dat alleen bestond, omdat de Overheid (om welke redenen dan ook) hare oorspronkelijke reformatoire plannen met de Kapittelen niet heeft uitgevoerd, en dat natuurlijk het recht der Overheid, om, zij het dan als stukwerk, de kapittelgoederen ad pios usus te doen strekken, niet beperkte. En dat deze zich in den onderhavigen maatregel niet eens al te ver van het oorspronkelijke doel

1) Het deelde dus niet de meening van Mr. S. Muller (1. c. pp. 8 en 6): „Curieus noemde ik het betoog van de heeren van de stad, allermeest omdat daaruit zoo duidelijk blijkt, wat een stedelijk bestuur zich in onze 17e eeuwsche republiek durfde onderstaan. Want deze pretensien waren volkomen ongegrond". Als grond van deze uitspraak vind ik bij Mr. M. enkel het suslenu van het kapittel zelf: „de vroedschap „handelde, alsofT het capittelhuys ware haer eygen goet,daeropniemant eenige actie hadde". Verdere motiveering ontbreekt.

2) Cf. Mr. Muller 1. c. p. 8.

26

Sluiten