is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet hebben in de beschikkingen, die de Raad zich veroorloofde omtrent de kerkgebouwen en kerkegoederen en de broederschapsgoederen, en dien hij op den 8sten Jan. 1584 weder eens scherp formuleerde, in het kort neerkomende op de gedachte, die ook de kern van de maatregelen der Staten op het gebied van de geestelijke goederen vormde, dat de goederen, die onder de ongereformeerde bedeeling ad pios usus waren gefundeerd, thans, nu de Christelijke religie gereformeerd was geworden, ook van deze reformatie de gevolgen moesten ondervinden en, nu vele ervan geheel en al van hun oorspronkelijke pieuze strekking waren ontdaan, tot andere doeleinden moesten worden aangewend.

De Raad maakte den 8sten Jan. te dezen opzichte een onderscheiding, die men wel in het oog dient te houden — 't is trouwens niet voor de eerste maal, dat wij ze tegenkomen —: politie en justitie.

De verplichting der Kapittelen om de kosten van de predikanten en andere kerkelijke functionarissen en van de School te dragen, grondde de Raad n.1. deels op het goddelijke recht deels op het werkelijke „recht" (giften en fundatiën).

Wat de Raad met dit laatste bedoelde? Wellicht de oorspronkelijke parochiale pastoriegoederen; want de vier kerspelkerken waren bij de Domproosdij geïncorporeerd, zoodat de Domproost ook de parochiale geestelijken benoemde '). Wellicht ook had hij het oog op sommige der eigenlijke kapittelgoederen. Doch hoe dit zij, deze „rechts"grond was slechts secundair.

In de eerste plaats kwam het beroep op het goddelijke recht, een w. i. w. minder gelukkige formuleering, hetgeen echter niet beletten kan, dat de zaak zelve duidelijk is. Immers, de Raad bedoelde niet anders dan dat de ad pios usus, d. i. tot den Christelijken eeredienst, gefundeerde goederen deze hun bestemming m. m. moesten behouden, en dat op deze wijze aan de Stad vergoed zou worden wat zij uit eigen beurs „ver-

I) Cf. Mr. van Riemsdijk, 1. c. p. 106. De vier Utrechtsche parochiekerken waren nl. kerken van het Domkappittel; de pastoors ervan waren „vicarii perpetui", benoemd door den Domproost.