Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als Christelijke Overheid had hij, zoo beweerde hij, het recht te doen wat hij deed; bewijs ons dat uit Gods Woord, voerden de Gereformeerden hier tegen aan. Men ziet het, dit waren geene juridische wapenen; hoogstens bruikbaar de lege ferenda, doch niet om eenig positief recht er mee te staven of te betwisten.

De gansche strijd liep dan ook over handelingen, omtrent welke in het objectieve recht geene algemeen geldende regelen bestonden; „recht" ontstond eerst, als de Overheid koos en zooals zij koos 1).

Hoewel de benoeming en het ontslag der predikanten niet rechtstreeks onder het geestelijke-goederenrecht thuis hooren, heb ik gemeend er toch het een en ander over te moeten meedeelen.

Het is thans duidelijk, dat de predikanten geene Provinciale of Stedelijke maar kerkelijke ambtsdragers waren, die wegens het officieele karakter der religie tot de Overheid in nauwe betrekking stonden. Aan den eenen kant was het begrijpelijk, dat de Overheid presentatie der beroepenen eisclite en op hun prediking toezicht hield, en aan den anderen kant was het verklaarbaar, dat het verband van religie en politie de predikanten vaak tot critiek van overheidsmaatregelen bracht.

overeenkomstig de kerkorde van 1590, die in artt. 6 en 7 ^ beroeping van deze ambtsdragers in de Steden aan de Magistraten en ten platten lande aan de patronen, zoo die er waren, of anders aan de Staten toekende.

1) Een ander voorbeeld levert de strijd in 1660 gevoerd tusschen de Utrechtsche kerk en de Stad, door de laatste gewonnen en geeindigd met de verbanning uit de Stad en de Provincie van Ds. v. d. Velde en Ds. Teelinck en met een door de Staten vastgesteld reglement op de uitoefening van het predikambt.

De strijd kwam aan, doordat de Raad vlgs. art. 37 der Dordtsche kerkorde politieke commissarissen in den kerkeraad zond, en de predikanten zich in hunne predikaties met de „politie" bemoeiden, speciaal met de Kapittelgoederen. Cf. de Vroedsch. resol., 26 en 29 Mrt., 2 en 3 Apr., 19, 23 en 30 Juli 1660. Reg. v. d. resol. d. St., 25 Juni, 19 en 24 Juli 1660.

Dat het geschil tusschen den Magistraat en den kerkeraad door de Staten beslist werd, was een gevolg van het stelsel door de Staten den 6den Aug. 1619 bij het arresteeren der Dordtsche kerkorde aangenomen; geschillen tusschen de Kerk en „eenige vande subalterne Overicheyt" hielden de Staten te hunner beslissing; geschillen tusschen de Kerk en de „Souveraine Overicheyt" (de Staten) zouden reeds in eerste instantie voor de St.-Gen. en den Stadhouder komen. Reg. v. d. resol. d. St.

Sluiten