Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en nog wel door den possesseur ervan zeiven, welker collatie toekwam aan den pater van het Jeruzalemsconvent en de abdis van het Wittevrouwenklooster; de abdis had den aanbrenger reeds voor eenige jaren met de vicarie begiftigd, en nu verzocht hij, dat ook de Regeering van Utrecht hem de vicarie wilde confereeren, „voor soo veel den pater van Hierusalem daeraen te vergeven gehadt heeft" !), en beloofde hij alsdan de goederen der vicarie te zullen opgeven. De Vroedschap machtigde daarop de Burgemeesters tot de verzochte collatie2).

Niet altijd volgde de Raad dezen weg; hij gaf ook wel eens een andere belooning. Den 28sten junj jfóg bv. nam hij het volgende besluit: aan den ontdekker van land eener vicarie, gefundeerd op het altaar van St. Agatha in de Jacobskerk 3), werd

1) De Raad had nl. de administratie van dit convent aan zich getrokken.

2) Cf. ook de Vroedsch. resol., 18 Aug., 22 Sept. 1634. Aan den Raad werd een vicarie in de Buurkerk ontdekt, ter collatie van de St. Jaeobsbroederschap (thans van de Utr. Regeering); de ontdekker mocht den Raad een „persone van de religie" (sc. de ware Chr.) „nomineren" of „presenteren", aan wien de Regeering de vicarie zou „confereren".

I. p. merk ik op, dat, waren de broederschapsgoederen Prov. eigendommen geworden (Mr. Verloren), niet de Stad maar de Provincie het collatierecht zou gehad hebben.

3) Der. 3den Apr. 1669 was door het Hof van Utrecht het volgende arrest gewezen in zake „de Weduwe van Gerrit van Westrenen, Impetrante" ca. „de Heeren Regeerders der Stadt Utrecht, Gedaechdens": „Gesien by den Hove van Utrecht het proces aldaer hangende ongedecideert tusschen de Weduwe van Gerrit van Westrenen aengenomen hebbende de arrementen vanden processe by den selven haren man aengeheven impetrante van interdictie ende bevelen poenrel stadthoudende in conventie ende verweerderse in reconventie ter eenre, ende de Heeren Regeerders der Stadt Uytrecht, gedaechdens ende impetranten in contrarie cas, mitsgaders de kerckmeesters vande Jacobikercke alhier, gevoechdens ter andere sijden, gehoort mede het rapport van seeckere Commissarissen van den Hove, die parthyen niet hebben konnen accorderen ende gesien haerluyder gebesoigneerde op seecker poinct van officie etc., voorss. Hoff doende recht ende eerst in conventie, verclaert de impetrante in dat cas in haren eysch, fine ende conclusie te wesen niet ontfanckelijck nochtc gefundeert, de gedaechdens daervan absolverende ende doende recht in reconventie verclaert, dat de ses mergen landts inden processe geroert in eygendom behooren aende vicarye inde voorss. kercke oJ> St. Aec/iten altaer gefundeert, condemnerende dien volgende de verweerderse in reconventie haer handen daer van te trecken ende de selve ten behoeve vande vicarye te verlaten, alles onvermindert t'vorder recht totte vruchten ende andersints ende de

Sluiten