Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op welken grond dan ook, aan den Lande vervallen zouden zijn. Duidelijker dan het in de Orde geschiedde — vlak na de interdictie der Roomsche religie, die anders toch juist de aanleiding geboden had om nu in één adem het opengevallen kloostervermogen te annexeeren — kon het wel niet worden geformuleerd, dat de kloosters door het verbod der Roomsche religie op zich zelf in hun bestaan niet werden getroffen maar ten gevolge der Reformatie meer of minder werden gereformeerd. Men kan zich dus van de rechtspositie der kloosters na het verbod der Roomsche religie en onder de Reformatie niet met een algemeenheid afmaken, maar voor elk klooster afzonderlijk dient te worden nagegaan, of het is blijven bestaan en zoo ja, of het alleen negatief dan wel positief is gereformeerd 1). M. a. w. niet het verbod der Roomsche religie maar de in den loop des tijds genomen concrete maatregelen bieden de stof, waaruit men zich het beeld der kloosters onder de Reformatie te vormen heeft.

De Minrebroedersgoederen, van welke mij niet gebleken is dat ze afzonderlijk werden beheerd, werden met de Stadsgoederen samengesmolten; oorspronkelijk had de Raad zich enkel de administratie ervan aangetrokken, doch al spoedig beschouwde hij zich als eigenaar 2), zoodat — nieuwe conventualen werden niet benoemd — dit klooster van het tooneel verdween.

1) Jhr. Mr. W. H. de S. Lohman (1. c. pp. 112 sqq.) vergist zich, als hij meent, dat de kloostergoederen ten gevolge der Reformatie „in den letterlijken zin des woords gesaeculariseerd", d. w. z. tot Staatseigendom gemaakt zijn. Hij voert drie argumenten aan:

1 „de kloosters, d. i. de corporaties aan wie de goederen toebehoorden", vervielen, en dus kwamen die goederen als bona vacantia aan den Staat.

Dit is niet juist; de kloosters waren fundaties, corporatief beheerd; niet alleen bleven zij wel bestaan als fundaties maar zelfs werden de corporaties in wezen gelaten

2°. de Staten beschikten over kloostergoederen.

Dit zegt niets; de vraag is: op welken grond?

3'. eenige besluiten betreffende kloosters.

Dit is een goed argument, maar het geldt alleen voor de kloosters, die de besluiten betroffen.

Alles is in concretis na te gaan.

2) Vroedsch. resol., 23 Jan. 1584: de Raad verkocht een ledig erf van de Minrebroeders, „behoudende der Stadt den eygendom vande muyr ende pijlres vant pant".

Sluiten