Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de Staten als hooge Overheid om toezicht er op uit te oefenen loochenden. Dit valt af te leiden uit de geschillen tusschen de Staten eenerzijds en de steden Amersfoort en Wijk andererzijds, waarbij deze Steden zich het recht van regeling en administratie vindiceerden behoudens het toezicht en de controle van de Staten, terwijl de Staten zich hierbij neerlegden !). Toch gaat ook dit niet algemeen door; in de stad Utrecht althans handhaafden de Staten hun recht ten opzichte van tal van conventen niet, zooals reeds gebleken is van de kloosters aldaar gelegen, met welke de Stad geheel als souverein handelde zonder de Staten er in te kennen 2). Aan den anderen kant waren er in de Stad Utrecht kloosters gevestigd, met welke de Raad zich niet inliet, zooals de binnen zijn gebied gelegen jufferenconventen, de abdij van St. Paulus, het St. Catharinaconvent, het Duitsche Huis, al trachtte hij somwijlen ook zijn gezag hierin uit te breiden; zoo werd ook het St. Maria Magdalena-klooster te Wijk door de Staten geadministreerd, evenals dat van St. Agnes te Rhenen. Grootendeels was het echter geen vraag van recht maar van macht, zoodat men zich veelal bepalen moet tot de constateering van den feitelijken gang van zaken, zonder naar de rechtsgronden ervan te zoeken.

Hun recht van toezicht schijnen de Staten echter in den regel te hebben gehandhaafd; ook van verschillende kloosters, waarvan zij medezeggenschap in de administratie aan de Steden, alwaar ze gevestigd waren, lieten, blijkt, dat de Staten geen vervreemding of bezwaring van goederen toestonden buiten hun goedkeuring 3). Tot toelichting enkele voorbeelden.

0 cf- P- 332 no°t-

2) Toch vindt men ook ten aanzien der begijnhuizen te Utrecht sporen, dat de Staten soms hun autoriteit wisten geldend te maken; den 23sten Apr. 1589 o. a. gaven zij verlof aan „die van den convente van Brandolyen", op haar daartoe strekkend request, om drie oude vervallen huizen te verkoopen in tegenwoordigheid van drie commissarissen der Staten, ten einde uit de kooppenningen eenige andere huizen te doen herstellen, onder de bijvoeging: ,,ende sullen die vanden convente gehouden zijn die Staten pertinente reeckeninge te doen vanden employ vande voorss. penningen". Reg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. 17 Apr. 1589.

3) In hoeverre zij dit deden, is geen rechtsvraag; in de Stad Utrecht lieten zij het grootendeels varen. Om deze feitelijke vraag te beantwoorden mis ik de gegevens. Cf. ook de voorgaande noot.

Sluiten