Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men ziet dus, dat het Redressement voor de beoordeeling der rechtspositie van het St. Catharina-convent een waardelooze grootheid is; gesteld al, dat het 16de artikel ervan gearresteerd ware, dan zou het met de zaak toch niet anders gesteld zijn, daar van het in één inasse brengen niets is gekomen, evenmin als van de separatie, die eerst veel later, zonder dat men daarbij aan het Redressement zal gedacht hebben, tot stand is gekomen. Dat de administratie ten slotte aan de Staten gekomen is, heeft zijn oorzaak niet gevonden in het Redressement, maar in andere feiten, waaronder het gedrag van den laatsten balijer wel mede te rangschikken zal zijn. Dan, hoe dit zij, dit is niet voor betwisting vatbaar, dat, toen Henrick Barck overleed en de Staten aan de commandeurs der Orde verboden buiten hen om een opvolger te kiezen en den Prior van het klooster met den rentmeester inmiddels het beheer ervan deden voeren,... het klooster bestond. Door de opdracht van de administratie aan den Prior en den rentmeester kan nog niet worden gezegd, dat de Staten de administratie aan zich hadden getrokken; immers zij deden niets anders dan den fungeerenden rentmeester handhaven en den Prior in vereeniging met dezen opdragen wat vroeger door den balijer met den rentmeester geschiedde. In elk geval hebben zij dit echter

o-edaan door de latere benoemingen van rentmeesters, die geen b

conventuale waardigheid bekleedden.

Het is evenwel van ondergeschikt belang, op welk oogenblik men de administratie door de Staten aan zich laat trekken, reeds in 1602 of later; als men slechts in het oog houdt, dat het niet geschiedde ter uitvoering van het Redressement, dat het een geheel op zich zelf staand feit was, en dat het evenmin

Franss. Vuyt den Bogaert tot „rentmeester vande goederen aende voorss. Balije ende convente behoorende", opdat deze „nyet verdonckert nochte gedistraheert maer tot onderhoudt vanden conventualen, vanden gasthuyse ende armen ende ad pios usus geconserveert ende well gemenageert werden".

Reg. v. comm. en instr. etc., aanv. Jan. 1607, f. 181 vo.

Het Regeeringsreglement van 1674 droeg den Stadhouder de aanstelling op; 29 Apr. 1674 werd Lodewijck Plucque, voor zijn leven „aengestelt" als zoodanig; „met begeerte, dat de Ed. Mo. Heeren Staten s'Landts van Utrecht hem daer toe met behoorlijclte commissie willen doen versien". (Juohier 1674, f. 350.

Sluiten