Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

St. Jan in haar geheel niet werd gedeeld, zoodat voor de leden der Utrechtsche balijen de verplichte strijd tegen de vijanden der Christelijke leer een andere werd dan de hoofden dezer Orden het verstonden, waardoor de hiërarchie ervan niet in wezen kon blijven en afscheiding onvermijdelijk werd.

Nu weet Mr. Verloren ons mee te deelen, dat de Staten van Utrecht toch eens hebben „gezegd", dat zij „eigenaars" waren der „geestelijke goederen" !), en wel op een zoo energieke wijze, dat hij zich gedrongen ziet tot de verklaring: „Krachtiger en duidelijker dan het hier staat, kan het toch wel niet gezegd worden", en tot de erkentenis, dat hij niet begrijpt, dat iemand ter wereld den Staten den „eigendom der geestelijke goederen" kan betwisten 2).

Het betreffende document nu is een vertoog, door de Staten den 15 den Mrt. 1664 opgesteld en den Franschen gezant aangeboden , ter rechtvaardiging van hunne maatregelen ten opzichte van de Orde der Johanniters, hun klooster te Utrecht en hunne tot de Utrechtsche Balije behoorende commanderieën, en ter motiveering van hun weigering om volgens de voorstellen van dien gezant in hun houding eenige wijziging te brengen 3).

Vooraf één opmerking.

Gesteld eens, dat de Staten in deze deductie inderdaad hadden gezegd, dat de goederen der Johanniters Provincieeigendom en dat m. a. w. het klooster en de commanderieën opgeheven waren geworden, dan zou hierin toch nooit gezien kunnen worden een memorie van toelichting op het Redressement, en met Mr. Verloren geredeneerd mogen worden: de Staten van 1664 hebben gezegd, dat de Staten van 1586 het eigendomsrecht der geestelijke goederen aan zich hebben getrokken; dus hebben de Staten van 1586 zulks gedaan. Afgezien nu van de strekking van het Redressement, die aan Mr. V. geheel ontgaan is, zou m. i. voor de hand gelegen hebben, de vraag, of de Staten zich in 1586 het eigendomsrecht hebben

1) L. c. p. 413.

2) L. c. p. 414.

3) Quohier 1674 ff. 476 sqq.

De deductie is afgedrukt in de Analecta van A. Matthaeus (2de uitg.), V. pp. 952 sqq.

Sluiten