Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hun bescherming in de Middellandsche zee had weinig om het lijf; in plaats van de beschermers van het Christenrijk, waren zij er veeleer de beschermelingen van. De Provinciën moesten haar handel door eigen oorlogsschepen beschermen. Bovendien, de hulp der Orde was haar een bron van voordeel, waarom in 1595 de Grootmeester aan de Ridders verboden had „particulares naves in mari habere et privati commodi causa excurrere".

Aan den last, waaronder den Malthezers hunne goederen vermaakt waren, konden zij derhalve niet voldoen, daar zij immers ter bescherming der Christenheid in elk geval onmachtig waren; de onder de Orde gestaan hebbende goederen te Utrecht behoorden derhalve ten voordeele van Utrecht te komen; immers: „commoda cuiusque rei eum sequuntur quem sequuntur incommoda".

Het beroep op de Staten-Generaal was ongefundeerd; in Aug. 1638 zouden zij den Franschen gezant hebben geantwoord, „dat Hare Hoo. Mo. niet en hadden eenige pretensiën opde goederen vande voorss. Orden". Natuurlijk, 't was n. 1. geen zaak der Generaliteit. Den 2isten Juli 1655 hadden zij bovendien op de remonstrantie der Gedeputeerden van Zeeland bepaald, dat „ten profijte vande gemeene sake" die goederen moesten worden „geëmployeert" „volgens d'oude ende fundamentele maximen van desen staet". En den igden Sept. 1648 hadden zij aan den „Ambassadeur vande Orden van Maltha verklaard, dat de Grootmeester dier orde „in die qualiteyt in reguard vande Bailyschappen ende commandurye met hun toebehoren en dependentiën gelegen inde Verenighde Provinciën' niet werd erkend x).

1) Voor de pogingen der Orde, in 1644 en volgende jaren in het werk gesteld om de Utrechtsche commanderieën te herwinnen, zie men Dr. Brondgeest 1. c. pp. 41, 42. De gezant van den Grootmeester werd in den Haag ontvangen op de gebruikelijke wijze, doch zijn verzoek werd afgeslagen; de Staten-Generaal verklaarden kortweg zijn principaal in zijn qualiteit van Grootmeester niet te erkennen ten aanzien van „soodanige Bailliu ende commandeurien met d'appendentiën en dependentiën vandien als inde Geünieerde Provinciën ofte het ressort vandien de Generaliteyt soude mogen zijn gelegen".

Aldus werd door de Staten-Generaal beslist den igden Sept. 1648. Reg. v. d, resol. d. Staten-Generaal, Rijksarch. Utr.

Sluiten