Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

puteerden, doch de Statenresolutie van 8 Mei 1633 bepaalde, dat voortaan elk der drie Statenleden afzonderlijk de benoemingen zou doen *), waartoe de commanderieën en de prebenden in drieën zouden worden verdeeld: op de repartitie der Geëligeerden, 7 prebenden (samen f. 1500); op die der Edelen, zeven (samen ƒ. 1700); op die van de Stad Utrecht, elf (samen ƒ. 1600); van de commanderieën kreeg het eerste Lid die van Oudewater en Wemeldingen; het tweede Lid die van Kerkwerve, Montfoort, Harmeien en Weerden; en de Stad die van Ingen en 's Heerenloo 2).

1) Gedep. St., 25 Juni 1646: „houden den persoon van des suppliants soon, Hendrick Ruysch, tot de possessie der commandurye tot s'Herenloo hierinne geroerd voor aengenaem", voorbehoudens eens ieders recht en onder den last de Staten ordonnantie, aangaande de commandeurs gemaakt of te maken, na te leven. De acte van collatie van de Vroedschap van Utrecht was gedateerd 30 Sept. 1645 „Alsoo door overlijden van Nicolaes van Lobbrecht, leste possesseur der commandurye van s'Herenloo, vacerende is deselve commandurye ter nominatie van Regierders der Stad Utrecht, soo is, dat deselve Regierders de voorss. commandurye geconfereert ende gegeven hebben, confereren ende geven deselve mits desen den wel Ed. Jor. Diderick Ruysch, Raet deser Stad, ende dat ten behoeve van Jonr. Hendrick Ruys zijn soon, omme deselve commandurye sijn leven lanck te possideren ende de jaerlijcxe vruchten ende den incomen vandien te genieten, ingaende na expiratie van ses jaren, geduyrende dewelcke de vruchten by t'Land genoten ende geprofiteert moeten werden, volgens resolutie by de Ed. Mo. Heren Staten s'Lands van Utrecht den 5en Septembris 1622 op beschrijvinge genomen . Reg. no. 59. Zevende mem. etc., ff. 273 sq.

Hieruit blijkt, dat de repartitie van 1633 van de gerepartieerde beneficia aan elk Lid de collatie gaf, niet de voordracht aan den collator; evenals elk collator had ook elk der drie Leden de agreatie der Gedep. St. te vragen op zijn collatie, d. i. den gebeneficieerde hun te presenteeren; de collatie en presentatie ging vooraf, dan volgde de agreatie.

In den Tegenwoordigen Staat (dl. XI. p. 391) wordt gezegd, dat de commandeurs volgens de overeenkomst van 8 Mei 1633, „die nu [sc. 175^3 geheel te niet is", „ter voorstellinge van" de Leden stonden aan de Staten, door wie ze werden „aangesteld"; (in 1758 werden ze door den Stadhouder „aangesteld"). Deze erroneuze voorstelling geeft slechts voedsel aan den waan, dat de Staten de commanderieën ook na 1633 begaven op een voordracht van een der Leden, en dat zoodoende het collatierecht bestond in het opmaken eener voordracht.

2) Reg. v. d. beschr. d. St. St., 31 Jan. 1632—25 Oct. 1633, ff. 175 sqq.

Strikt genomen was de repartitie van 1633 geen verdeeling onder de drie Statenleden , daar wel het eerste en het tweede Lid de benoeming kregen der hun toegewezen benefic&n, maar niet het derde Lid; immers het was de Stad Utrecht alleen, met uitsluiting der kleine Steden, aan wie dit recht kwam; deze laatste

Sluiten