Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeer als zij over de Provinciale domeinen konden beschikken, die in de resolutie van 19 Juli 1699 dan ook op dezelfde wijze behandeld werden als St. Cathrijne, St. Paulus etc.; want wie zou er hebben kunnen gevonden worden, die tot den Souverein van den Lande, die in deze hoedanigheid zijne eigen handelingen als administrateur dekte, zou gezegd hebben: wat doet gij? De bedoelde beschikkingshandelingen van het bestuur van het convent (sc. de Staten) werden door de Overheid (sc. de Staten) goedgekeurd, zoodat formeel, rechtens alles in den haak was: natuurlijk voorzoover het toenmaals in Utrecht geldende recht het niet anders bepaalde, hetgeen mij niet bekend is. In elk geval handelden de Staten alsof er geene rechtsregelen waren, die hun hetgeen zij deden verboden; dergelijke handelingen hebben wij trouwens ten opzichte van andere geestelijke goederen ook reeds ontmoet; ze vonden haar oorzaak daarin, dat de Staten een ruime opvatting hadden van pii usus, zóó ruim, dat zij oordeelden geheel in hun recht te wezen, wanneer zij in het algemeene belang, voor staatsdoeleinden over geestelijke goederen beschikten of lieten beschikken, vooral in het geval — en dit was ten opzichte der geestelijke goederen de regel —, dat de bestemming dier goederen ten gevolge der Reformatie niet of nauwelijks meer gerealiseerd kon worden en derhalve reeds daardoor een zeer merkbaar ingrijpen door de Overheid werd vereischt, in welk laatste opzicht deze veeleer te kort is geschoten dan dat zij de reformatoire plannen van 1580 naar eisch heeft doorgevoerd.

De Utrechtsche Raad ging dikwijls verder dan de Staten in deze reformatie der pii usus; zoo kwam hij ten slotte tot het inzicht, dat het toch een niet wel te rechtvaardigen handelwijze was om het St. Catharina-convent zóó summierlijk te reformeeren, dat alleen hetgeen al te anti-Gereformeerd was er uit gebannen werd en overigens prebenden verleend werden uit zijne inkomsten alsof de gebeneficieerden er iets voor hadden te doen; evenals het lidmaatschap der Kapittelen een sinecure geworden was, niet enkel in de praktijk — dit was het vóór de Reformatie ook al — maar ook in beginsel, was dit het geval met het lidmaatschap der Balije van St. Catharina. Men rechtvaardigde het wel door de bewering, dat het ook tot de

44

Sluiten