Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ver gingen, nu eens de verplichting tot studeeren dan weer die tot krijgsdienst aan het lidmaatschap verbindende, of zelfs de goederen op geheel andere wijze ad pios usus bestemmende, gedeeltelijk zelfs door goederen eraan te onttrekken; en dat dit alles niet was een uitvoering van het Redressement, dat voor de rechtspositie der Orde een niet bestaande grootheid was, maar een toepassing in concretis van het hoogheidsrecht der Staten.

In het wezen der zaak was het lot der Malthezer Orde hetzelfde als dat der Duitsche Orde *). Een parallel te trekken tusschen beide loont de moeite.

In de Orde van 1580 werden ten opzichte van beide Orden dezelfde maatregelen voorgeschreven: art. 8, 9, 11, 12. En de Instructie (1581) behandelde beide dan ook op denzelfden voet: artt. 33—36.

Ook het Redressement (1586) wijdde hetzelfde artikel (16) aan beide tegelijk; welk artikel in advies werd gehouden en evenmin als het de Malthezers trof, werden de Heeren van het Duitsche Huis er door geraakt.

De algemeene regeling door de Staten omtrent de Geestelijkheid en hare goederen was alzoo voor beide dezelfde. In de bijzondere maatregelen evenwel door de Staten genomen liep hun lot uiteen.

Het verband van de Utrechtsche Balije der Duitsche Orde en de eronder ressorteerende commanderieën werd opgeheven, evenals bij de Malthezers 2).

Hare personen en goederen werden rechtens wereldlijk, evenals bij de Malthezers. Dit toch waren de rechtstreeksche gevolgen der Reformatie.

Den commandeurs der Duitsche Orde werd evenwel hun bevoegdheid om een landcommandeur te kiezen niet ontnomen,

1) Archieven der Ridderlijke Duitsche Orde, Balie van Utrecht, uitgegeven door Jhr. J. J. de Geer tot Oudegein, Utrecht 1871.

2) Deze opheffing kreeg eerst langzamerhand haar beslag; zoo werd 14 Dec. '593 de Heer Jacob Taets van Amerongen nog bevestigd als landcommandeur door den Duitschmeester, en werd deze nog in 1606 beschreven door den Duitschmeester tot het generale kapittel der Orde, alwaar hij echter niet verscheen. Cf. de Geer 1. c. p. CXI.

Sluiten