Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

benoemde M. v. Sypesteyn schijnt zijn ambt niet te hebben aanvaard; immers, toen de Staten den 25sten Oct 1588, nadat den 9(len dier maand dc Directiekamer met de onder haar staande rentmeesters geschorst was, rekening en verantwoording cischten van die rentmeesters, werden deze bij name genoemd: Floris van Weede (cf. art. 9 van het Redressement), Anssem Ruysch (cf. art. 12) en Jan van den Bongaert.

Dit wil evenwel niet zeggen, dat St. Servaas en Mariendaal hun eigen beheer geheel behielden; de Directiekamer n.1., onder wier toezicht de rentmeesters fungeerden, verrichtte zelve ook verschillende handelingen van beheer, als b.v. het 1 verpachten van tienden en het innen der pachtpenningen, echter niet dan onder krachtig verzet der conventen. Dit blijkt uit de Statenresolutie van 3 Juli 1588; de pachters en koopers der tienden „gehoorende totte conventen van Ste. Servaes ende ten Dale" van het jaarschaar 1588, die ze van de Directiekamer hadden gepacht of gekocht, dienden aan de Staten een verzoekschrift in van de strekking, dat zij niet dubbel zouden behoeven te betalen en dat de Staten hen tegen de abdissen en conventualen zouden willen schadeloos houden; waarop door de Staten besloten werd, dat zij de Directiekamer wilden handhaven in haar commissie „ende consequentelick mede inde verpachtinge by deselve aenden supplianten ende andere pachters vande jofïfrouwenconventen gedaen ende noch te doen", en dat zij mitsdien zouden zorgen, dat de abdissen en conventualen van St. Servaas, Mariendaal en ook van de andere drie kloosters hen ongemolesteerd lieten; „ende in allen gevalle beloven d'voorss. Staten die supplianten ende heuren erven te indempneren tegens die voorss. vrouwen ende conventualen ende alle andere, die dat soude mogen aengaen" J).

Enkele dagen later, 6 Juli, hadden de Staten te beslissen „opde dachten van die vande Directiecamer noopende het lichten vande penningen vande thienden nu onlancx-leden ver-

Soest in Eemlandi"] in twee massen gebracht sullen worden doch distinctelick ende onder verscheyden capittulen van ontfanck ende vuytgeven daerjegens", en dat gemaakt was „tot meerder conservatie ende beter directie vande geestelicke goederen". I) Keg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. 2 Juli 1588.

Sluiten