Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kloosters nog altijd in wezen waren, al was er feitelijk van geen kloosterleven meer sprake (of zooals de Staten het uitdrukten , al waren de kloosters gecesseerd), al moest ook volgens een besluit der Ridderschap van Febr. 1626 het ambt van abdis uitsterven ') en al was de administratie der goederen ook in handen der Overheid. De Ridderschap sprak dit met zoovele woorden den 2den Oct. 1654 uit. De kapelaan van Mariëndaal, C. J. van Leyden, vicaris ten Dom, had in zijn testament (17 Dec. 1609 verleden ten overstaan van den notaris A. van Deudecum) aan dit klooster gelegateerd een „coopmansrentebrieff" van ƒ. 200 kapitaal voor het geval het klooster „noch in ere ende in esse was", terwijl „in gevalle den convente vervreemt ware etc." de obligatie vervallen zou aan 's mans ingestelde erfgenamen. Dezen nu wendden zich tot de Edelen, verzoekende om op grond dier bepaling den rentebrief tot zich te mogen nemen, er op wijzende, dat het wel kennelijk zou zijn „dat den voorss. convente niet en is in esse volgende de meyninge van den testateur, dat oock des convents huysinge binnen deser Stad voor eenige jaren al is vercoft ende alsulcx vervreemt". Voordat zij een definitieve beschikking gaf, be-

Werd deze obligatie afgelost, dan, zoo bepaalden de Gedep. St., moest het geld °p hypotheek worden belegd „ten meesten oorbaer ende verseeckeringe vanden convente". Tevens machtigden zij den rentmr., Jhr. v. Winssen, tot het transport.

Reg. no. 59. Tweede mem. etc. ff. 227 vo. sqq.

Den iSden Mei 1621 approbeerden de Gedep. St. een accoord tusschen de abdis van Vrouweklooster en A. Logen over de afgraving van venen, gesloten „ten overstaen van" Ridderschapsgecommitteerden en den rentmr.

Reg. no. 59. Tweede mem. etc. ff. 230 sqq.

Door een transactie ,25 Oct. 1622 gesloten door de „gecommitteerden op 't comptoir van d'abdie van St. Servaes ter presentie vanden advocaet ende rentmeester vande selve abdie deur last ende opt behagen vande Heeren Eedelen ende Ridderschappe" eenerzijds en Schout en Secretaris van Maartensdijk, geassisteerd met eenige geburen en gecommitteerden van de gemeente aldaar, op 't behagen dier gemeente andererzijds, werd een proces tusschen „de Vrouwe ende gemeen convente van St. Servaes" en de gemeente van Maartensdijk, voor het Hof hangende, beeindigd. De Ridderschap approbeerde ze, 23 Juli 1624.

Reg. no. 59. Derde mem. etc. ff. I vo. sqq.

i) De Ridderschap besloot n.1., „van nu voortaen geen Abdissen oft Vrouwen in eenige vande vyf Jufferen Conventen binnen Utrecht meer te kiesen, of te creeren". A. Matthaeus, Fundationes pp. 4S8 sqq.

Sluiten