is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

giftigd waren, toch in werkelijkheid geene bagijnen waren J bovendien was er van een gemeenschappelijk kloosterleven geen spiake meer, zoodat er van werkelijke conventen niets meer te bespeuren viel; maar dit is geheel iets anders dan de opheffing der rechtspersonen, die als klooster bestaan hadden; als kloosters bestonden zij niet meer, maar als fundatiën waren zij in wezen gebleven: zij waren gereformeerd. Het was er mee als met de kapittelen, die ook geene eigenlijke kapittelen meer waren, als met de vicarieën, de broederschappen i) etc. ; de bagijnenconventen verkeerden in het algemeen in dezelfde positie als de overige kloosters; het voor deze gezegde geldt ook voor gene.

De Raad kon derhalve zeer te recht verklaren, dat de goederen aan de conventen behoord hadden; in den regel bleef men echter de lichamen, die eenmaal kloosters in den echten zin des woords geweest waren, kloosters noemen en mitsdien ook van de goederen ervan zeggen, dat zij aan de kloosters behoorden en niet, dat zij er aan behoord hadden. In geen geval evenwel mag uit het bezigen van den verleden tijd worden afgeleid, dat de Raad meende, dat hij eigenaar der goederen was; niet hij maar de voormalige kloosters waren de eigenaars ervan. Zoo men nu een voormalig klooster, welks goederen tot andere pii usus worden aangewend geen klooster wil noemen, het is wèl; maar men meene niet, dat men zoodoende in iets anders dan in een woordenstrijd overwonnen heeft.

De bagijnenconventen waren en bleven, wat zij altijd geweest waren: fundatiën , geheel afgescheiden van den stedelijken fiscus; als zoodanig werden zij bij voortduring behandeld, hetgeen ik uit verschillende feiten nog zal toelichten.

Den ioden Nov. 1656 werd den rentmeester van het AbrahamDole convent door den Raad last gegeven, met de helft van de ƒ. 1000, die gekomen waren van den verkoop van land van dit klooster in Neerlangbroek, een obligatie af te lossen van /• 500, „die d'Heer oudborgermeester Wyck heeft tot laste

1) Cf. p. 424.

4S