Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tevens de conventen zelve, zoo zij althans niet reeds in 1674 waren opgeheven !). Met de bagijnenconventen verdween tevens wat er van de broederschappen overschoot; immers de broederschappen , die nog eenig vermogen hadden overgehouden, waren onder het beheer gebracht van den rentmeester van het St. Maria Magdalena-convent 2), zoodat in de annexatie van de goederen der vier Stedelijke rentmeesterschappen wat er nog van het broederschapsvermogen over was gebleven mede begrepen was en formeel ook deze broederschappen te niet gingen.

Tusschen deze voormalige geestelijke of pieuze goederen en de Stedelijke goederen was sedert niet het geringste onderscheid meer: de baten behoorden tot de Stadsbaten en de schulden waren schulden der Stad. Sedert 1674 waren ze van alle pieus karakter ontbloot en sedert 1674 of 1707 waren ze bovendien eigendommen der Stad Utrecht.

HOOFDSTUK VIII.

Korte samenvatting.

Evenals ik in groote trekken den rechtstoestand der goederen, die rechtstreeks of zijdelings bestemd waren voor en verknocht waren aan de vervulling van zuiver religieuze of religieus gekleurde verplichtingen, onder het Canonieke recht geschetst heb3), ten einde de maatregelen sedert 1580 door de Utrechtsche overheden omtrent deze goederen genomen gemakkelijker te kunnen verstaan, zal ik het thans doen ten opzichte van den rechtstoestand waarin deze goederen verkeerden, toen den 5den

1) Mr. Acquoy, die de bagijnengoederen reeds sedert 1674 als Stadsgoederen beschouwt, ziet in de resolutie van 28 Mrt. 1707 dan ook slechts een administratieven maatregel, 1. c. p. 354: „Waren door de resolutie van 2 Mei 1674 de conventengoederen reeds Stadsgoederen geworden, door den maatregel van 28 Maart 1707 werd hunne overgang aan de Stad ook administratief nader voltooid".

2) Cf. p. 438.

3) Afd. I. Hoofdst. IX.

Sluiten