Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lecciön Primera.

El Articulo. Presente de- tener.

1. Woorden om van buiten te leer en:

El padre, de vader; la madre, de moeder.

el hijo, de zoon; la hija, de dochter.

el hermano, de broeder; la hermana, de zuster.

el nieto, de kleinzoon; la nieta, de kleindochter.

el tio, de oom; la tia, de tante.

el sobrino, de neef, la sobrina, de nicht,

(Fr. Ie neveu); {Fr. la nièce).

el primo, de neef, la prima, de nicht.

(Fr. Ie cousin); {Fr. la cousine).

nn abuelo, een grootvader; una abuela, een grootmoeder.

un suegro, een schoonvader; una suegra, een schoonmoeder.

un yerno, een schoonzoon; una nuera, een schoondochter.

un cuïiado, een schoonbroeder; una cufïada, een schoonzuster. el marido, deman,(Fr.\e mari); la mujer, de vrouw. el hombre, de mensch,

de man (Fr. 1'homme).

el senor, de heer-, la senora, de dame.

si, senor, ja, mijnheer; no, senora, neen, mevrouw.

Repel I. Het bepaalde lidwoord (el articulo definido) is in het Spaansch voor het mannelijk geslacht (el género masculino) el en voor het vrouwelijk geslacht (el género fempiino) la; het onbepaalde lidwoord (el articulo indelinido) is voor het mnl. un, voor het vr. una.

Sluiten