Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ie p. Mrv. wij, nosotros,-as. ons. nosotros, -as.

2e p. Mrv. gij, vosotros, -as. u, vosotros, -as.

3e p. M. Mrv. zij, ellos. hen, ellos.

V. Mrv. zij, ellas. haar, ellos.

O. Mrv. ontbreekt.

Beleefdheidsvorm,:

Enk. Gij, U, usted. u, usted.

Mrv Gij, U, ustedes. u, ustedes.

Opmerkingen.

a. Gelijk we reeds gezien hebben, laat men in het Spaanscli gewoonlijk de voornw. als onderwerp weg, behalve wanneer men den nadruk wil leggen op het voornaamw. of dubbelzinnigheid wil vermijden:

Hablo, ik spreek.

Yo hablo. ik spreek.

Hablo yo, ik spreek (vgl. Fr. Je parle, moi). Yo hablaba, ik sprak.

Yo hablo del marido y V. habla de lamujer. Él hablaba, hij sprak.

Ella hablaba, zij sprak.

h. De voornaamw. yo en tü veranderen na een voorzetsel in mi en ti; de andere voornw. behouden na een voorz. den vorm, dien ze hebben als onderwerp.

c. Met het voorz. con worden mi, ti en si tot:

conmigo, conügo, consigo.

Venga V. conmigo, kom met mij.

Lleva tu fortuna contigo, neem je fortuin mee (met je). Llevaron su fortuna consigo, zij namen hun fortuin met

(met zich).

Daarentegen:

Su hermano parte con ella, Haar broeder vertrekt met haar. Comian todos los dias con ellos, Zij aten alle dagen met hen.

Sluiten