Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

h?t hun betalen. Hij heeft het mij ontnomen (quitar). Ontneem het mij niet. Ontneem het hun. Zij had het ons gegeven. Heeft U het ons gezegd? Ik heb het niet U gezegd, ik heb het haar gezegd. Zal hij het U ontnemen? Geef het hem. Geef het hem niet. Ik leen (prestar) het u. Wij leenen het hun. Gij leent het haar. Leen het ons. Leen het hun niet. Laten wij het haar leenen. Laten wij het haar niet leenen. Leent het hem. Leent het hem niet. Geeft het hem. Ontneem het hun. Ontneem het hun niet. Ik zal het haar geven. Je zult het mij geven. Hij zal het ons geven. Wij zullen het U betalen. Gij zult het ons betalen. Zij zullen het U niet betalen. Ik zal het U geven. Geef het mij. Ik zal U komen (gaan) bezoeken. Zult gij ze ons zenden? {zenden = enviar en man dar; ze kan zij»: la, las, los; gij kan zijn: tü, vosotros; A . en \ ds. Deze zin kan dus op 24 manieren vertaald worden). Zult gij ze haar zenden? Zend het haar, maar zend het hem niet.

4. Conjugación del verbo reflexivo: Hallarse, zich bevinden.

Intinitivo. Hallarse.

Pretérito. Haberse hallado.

Gerundio. Hallandose.

Participio. Hallado.

Indicativo. Subjuntivo.

Presente. Presente.

Yo me hallo. Que yo me halle, etc.

tü te hallas. Imperfecta.

él (ella) se halla. Que yo me hallara, hallase.

V. se halla. Perfecto.

nosotros nos hallamos. Que yo me haya hallado.

vosotros fos hallais.

Sluiten