Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ejercicio 110. Vertaal:

Zij worden geboren. Zij werden geboren. Laten wij herboren worden. Bied aan. Biedt aan. Laten wij niet aanbieden . Ik ken. Wij kennen. Laten zij kennen. Gij kent niet. Zij miskennen. Ik vertaal en vertaalde. Zij vertaalden. Indien ik vertaalde (subj. imp.). Opdat (Para que) wij zullen vertalen (subj. fut.). Zij zouden vertalen. Ik vertaal. Verafschuw de leugen. Laten wij de leugen verafschuwen. Zij maakt het kind in slaap. Laat men dit kind in slaap maken. Zij missen moed. Laten wij hem niet miskennen. Dat hij begunstige. Gehoorzaam. Gehoorzaam niet. Zij lijden. Wij verschijnen. Zij zijn omgekomen. Laten zij erkennen. Ik geleid, ik geleidde, ik heb geleid, dat ik geleidde (subj. imp.), ik zou geleiden, dat ik zal geleiden. Dat zij voortbrengen. Brengt voort. Dat zij u niet verleiden. Ik begin. Hij benadeelt. Dat hij beginne. Dat hij benadeele. Zij blinken en blonken. Dat zij blinken en blonken. Ik kook. Zij kookt. Dat zij koke. Dat zij koken.

(Zie de Aant<ekening op blz. 31).

Vocabulario.

El barrio, de wijk. el padre de familia, de huisvader.

tinas atenciones, beleefdheden. el agradecimiento, de dankbaarheid. erkentelijkheid. la medida, de maatregel. la confianza, het vertrouwen. el sueno, de droom. el error, de dwaling. el Banco, de Bank.

sencillo, - a, eenvoudig. tonto, - a, dwaas. próximo, - a, eerstvolgend. establecer (Cl. III), vestigen, oprichten.

desaparecer (Cl. III), verdwijnen.

estremecerse (Cl. III). huiveren, rillen, sidderen. aparecer (Cl. III) como, blijken te zijn.

Sluiten