is toegevoegd aan uw favorieten.

Practische handleiding ter beoefening van de Spaansche taal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spelde, dat gij zegendet, dat hij vervloekte, dat wij zeiden, dat gij tegenspraakt, dat zij logenstraften. I>at ik zal voorzeggen, dat gij zult zegenen, dat hij zal vervloeken, dat wij zullen zeggen, dat gij zult tegenspreken, dat wij zullen logenstraffen. Ik zou mijn woord intrekken, gij zoudt voorspellen, hij zou zegenen, wij zouden vervloeken, gij zoudt zeggen, zij zouden tegenspreken. Ik zeg het u, ge zegt het mij, hij zegt het ons, wij zeggen het hem, gij zegt het haar, zij zeggen het ons. Ik zei het hem, gij zeidet het haar, hij zei het me, wij zeiden het u, gij zeidet het ons, zij zeiden het ons. Zeg het mij, zeg het hem, zeg het haar, zeg het ons, zeg het hun. Zeg het mij niet, zeg het hem niet, zeg het haar niet, zeg het ons niet, zeg het hun niet. Laten wij het hem zeggen, laten wij het hun zeggen, laten wij het hem niet zeggen, laten wij het hun niet zeggen. Zegt het mij, zegt het mij niet, zegt het ons, zegt het ons met. Zegt het hem, zegt het hem niet. Zegt het hun, zegt het hun niet. Het ons zeggen, het hun zeggen, het mij zeggen> het ons zeggende, het haar zeggende, het mij zeggende.

Venir, komen.

Ger. viniendo.

Part. venido.

ïndicativo. Subjuntivo.

Presente. Pretrrito. Futuro. Pres.

Yengo vïne vendré venga

vienes vinïste etc. etc.

viene vïno Cond. Imperativo.

venimos vinïmos vendria ven

venis vinïsteis etc. venid.

vienen. viniéron.