Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ik geloof het niet. Heeft je vader je niet geholpen?

— Neen, mijnheer. Hij heeft ze heelemaal (todos) vertaald.

6. Een heel magere man trouwt met een dikke vrouw.

— Maar, hoe zal (tr. ga) je het aanleggen (arreglarse), vroeg hem een vriend, dat (para que) de menschen gelooven (subj.) dat die dame je wederhelft is?

7. Het leven is voor mij een ondraaglijke last, zei

iemand.

— Waarom? vroeg men hem.

— Omdat ik alleen ben op (en) de wereld. Ik heb mijn bloedverwanten en mijn vrienden verloreu.

Wat! Zijn (u) ook al uw vrienden gestorven?

(morirse).

— Neen, maar zij hebben fortuin gemaakt.

8. (De) Mevrouw verrast de dienstbode de saus uit een

braadpan proevend met den top van den vinger.

— Dat is niet goed, meisje (hija rnia), zegt ze haar.

— Maar, mevrouw, wou (Subj. imp. 1 ° forma) U dat ik daarvoor een lepel ging vuilmaken (Subj. imp. de ir a ensuriar)?

9. Overdenking van een man, wiens vrouw voor advokaat studeert:

— Sedert dat mijn vrouw zich bezig houdt met het Recht, gaat alles in huis verkeerd.

10. De vicomte de X..aanstaande van een sclioone jonge dame, wandelde met haar door den tuin den üag vóór het huwelijk. De vicomte, die niet rookte, vroeg (pedir) een sigaar aan den tuinman en stak hem aan.

— Wat! zei zijn aanstaande, ik dacht dat ge (usted) niet

rookte.

— Ik rook alleen (no... mas que) als ik mij verveel.

Sluiten