Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem waren voorgegaan, doch dit zijn niet de Mordjieten, waarover wij spreken. Zoo blijft alleen de verklaring over, dat zij hun oordeel over den zondigen Moslim uitstelden tot op den dag des oordeel?. Deze verklaring is de juiste niet alleen, omdat zij door de beste schrijvers ') wordt voorgestaan, maar ook omdat zij de tegenstelling tusschen Kharidjieten en Mordjieten geheel tot haar recht doet komen.

De Mordjieten stonden inderdaad lijnrecht tegenover de Kharidjieten, wat betreft beider oordeel over den zondigen Moslim. Terwijl de laatsten, gelijk wij zagen, hem kortweg eenen ongeloovige noemden, waren zij bescheidener en milder in hun oordeel, want zij achtten hem een waar geloovige en lieten aan Gods beslissing over, welk lot hem hiernamaals te wachten stond. Deze mildheid vindt hare verklaring in de Mordjietische opvatting van het geloof (qLJ), dat zij allerminst gelijk de Kharidjieten met de werken vereenzelvigden. Ongehoorzaamheid, heet het, schaadt niet aan het geloof, evenmin als gehoorzaamheid baat bij ongeloof. Doch wat is dan dat ééne, waarop alles aankomt? wat verstonden zij onder het woord: geloof? Ook geene bloot verstandelijke overtuiging, want het komt er niet op aan, of men weet, dat de Ka'ba te Mekka ligt, of zelfs dat Mohammed de brenger der openbaring is, of een ander 2). Had de profeet niet uitdrukkelijk het tegendeel verzekerd, waarom zou men meenen, dat alleen door aan 'hem te gelooven waar geloof mogelijk is? De drieëenheids-

1) Makrizi Khitat ed. Bulaq. II, 350. Pocock Sper. Hist. krab. ed. White pg. 22 (23) 252—253.

2) Shahr. 105. H. I, 158. Maw&qif 360.

Sluiten