Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anders dan afval van God, ongeloof in God. „De zonde openbaai t zich in haar waar karakter, wanneer de cisch der heiligheid in 't geweten, tot den mensch komende als liefdevolle onderwerping aan God, met weerzin wordt afgeslagen. Hier vertoont zich de zonde, zooals zij wezenlijk is: een zich afkeeren van God; en terwijl 's menschen schuld wordt verzwaard, treedt een verstokking in het hart, welke voortvloeit uit de verkrachting van deze hoogere roepstemmen. Uit wordt bedoeld met den toestand van hen, die Christus verwerpen en 't Evangelie niet gelooven, en van wie zoo dikwerf wordt gesproken in het Nieuwe Testament; dit ongeloof is juist het sluiten van het hart voor de hoogste liefde." De andere beschouwing van de zonde, waarschijnlijk wel de populairste in onzen tijd, houdt zonde voor zelfzucht, — maar zij is toch hetzcltde als hetgeen wij beweren, doch uit een ander oogpunt bezien. Immers indien het hart zich afwendt van een gedeelte zijner omgeving, zal het dit doen onder de macht der verzoeking om in gemeenschap te treden met een ander deel. Die verzoeking kan in den grond der zaak slechts voortvloeien uit één bron — de zelfliefde. De betrekkingen, welke de ongodsdienstige mensch aanknoopt en onderhoudt, vinden haar middenpunt in hem; hij vereert zich zelf. Zelfbevrediging veel meer dan zelfverloochening, en onafhankelijkheid veel meer dan onderwerping — dit zijn de levensregelen. En dit is zoowel de armzaligste als de meest alledaagsche vorm van afgoderij.

Doch op welke van deze opvattingen van de zonde wij ook den meesten nadruk leggen — beide vinden wij ten nauwste verbonden met den dood. Indien zonde is vervreemding van God, dan is juist die vervreemding de dood. Het is een gebrek aan gemeenschap. Is de zonde zelfzucht, dan begaat men haar ten koste van het leven. Haar bezoldiging is de dood; „die zijn leven liefheeft," zeide Christus, „zal het verliezen."

En toch staven wij de verdooving van onze zedelijke natuur, buiten God, niet alleen met bewijzen aan de theologie ontleend, of aan de geschiedenis doch, ook met analogiën welke de natuur ons te zien geeft, en die dit resultaat tot een noodwendige gevolgtrekking verheffen. De ontwikkeling van een organisme, in welke richting ook, hangt af van de

Sluiten