Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van de uitoefening van het kiesregt zijn uitgesloten zij, wien dat regt bij regterlijke uitspraak is ontzegd; zij, die in gevangenschap of hechtenis zijn; zij, die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren; zij, die in het burgerlijk jaar, voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten, van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand hebben genoten en, voor zoover de kieswet, hetzij zeker bedrag van den aanslag in eene of meer Rijks directe belastingen, hetzij het bezit van een of meer grondslagen van zoodanigen aanslag als vereischte van kiesbevoegdheid stelt, zij die hun aanslag in die belasting of belastingen niet hebben voldaan."

De Grondwetgever van 1887 heeft met de vaststelling van art. 80 zijne taak ten opzichte van het actief kiesrecht voor de Tweede Kamer niet als geëindigd beschouwd. Hij heeft de invoering van verbeteringen op dit stuk niet willen uitstellen tot het tot stand komen der kieswet, die op de grondslagen van art. 80 zoude berusten, doch heeft, in art. VII der Additionneele Artikelen een voorloopig kiesreglement gegeven, dat, tot aan het in werking treden der nieuwe kieswet, het kiesrecht zoude beheerschen.

De Staatscommissie had zich op het standpunt gesteld, dat de voorloopige bestendiging van de bestaande regeling de spoedige tot standkoming der nieuwe wet in hooge mate zoude bevorderen; derhalve had zij de dadelijke uitbreiding van het kiezerspersoneel ontraden. Met kracht en klem was tegen dit voorstel opgekomen door het lid der Commissie, Mr Farncombe Sanders, die in een afzonderlijk advies met nadruk de invoering van een voorloopig kiesreglement bepleitte. Ook Mr. Van Houten had in zijn voorstel tot Grondwetsherziening van 29 Augustus 1884, eene overgangsbepaling opgenomen, die reeds terstond een aantal nieuwe kiezers zoude scheppen. Heide genoemde Kamerleden, hoezeer op verschillende punten betreffende de in te voeren

Sluiten