Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij Koninklijke Boodschap van 2 September 1892 werden door den Minister Tak van Poortvliet een drietal ontwerpen aangeboden, in het eerste van welke de kiesbevoegdheid voor de Tweede Kamer op geheel nieuwe grondslagen werd gevestigd.

Het standpunt, waarvan in deze voordracht werd uitgegaan, was dit, dat een stellige positieve maatstaf van «geschiktheid" en «maatschappelijken welstand" niet is te vinden. AV at het door de Grondwet vereischte kenteeken van «geschiktheid" betreft, meende de Regeering, dat daarmede de hoedanigheden werden bedoeld, tot het verrichten eener keuze van eenen volksvertegenwoordiger noodzakelijk. »Eene voldoende geestesontwikkeling, zelfstandigheid van karakter en belangstelling in de openbare zaak zijn daaronder wel de voornaamste eigenschappen. In welke mate worden zij in eenen kiezer gevorderd ? Bij wien en wanneer worden zij in zoodanige mate aangetroffen? Hoe zal van hare aanwezigheid blijken? Op geene dezer vragen is in volstrekten zin een bevredigend antwoord te geven dat den wetgever tot uitgangspunt kan strekken." En nadat ontwikkeld is, hoe in alle standen zonder onderscheid de genoemde eigenschappen bij den een worden gevonden, bij den ander worden gemist, luidt het verder in de memorie van toelichting: »De geschiktheid is een betrekkelijk begrip; toch eischt de Grondwet het bezit van haar kenteeken. Blijft er, wil men tegenover allen rechtvaardig zijn, iets anders over dan de geschiktheid bij allen aan te nemen, die de volstrekte eischen voor kiesbevoegdheid bezitten en van wie de ongeschiktheid niet door vaststaande, wel omschreven feiten kan worden aangewezen?"

Evenmin is een stellige omschrijving van »maatschappelijken welstand" mogelijk. In den gedachtengang van den Grondwetgever moest die welstand de geldelijke onafhankelijkheid uitdrukken, die den kiezer in staat stelt om naar eigen inzicht zijne stem uit te brengen zonder vrees voor stoffelijk nadeel, terwijl hij tevens tot waarborg moest

Sluiten