Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteld die eigen aangifte voor loon- en huurkiezers te doen vervallen, maar de groote meerderheid van de Tweede Kamer, — zelfs warme voorstanders van algemeen kiesrecht — konden zich daarmede niet vereenigen.

Ten slotte is het resultaat van de wetswijziging van 1900 in hoofdzaak geweest, dat ten opzichte van het inkomenkenteeken het vereischte, dat men gedurende een bepaalden tijd in dezelfde dienstbetrekking moest zijn geweest, verzacht werd in dien zin, dat ééne verandering van dienst gedurende het gestelde tijdperk het kiesrecht niet verloren deed gaan; verder werd de kring van instellingen, waarvan pensioentoekenning kiesbevoegdheid verleende, uitgebreid, terwijl ook lijfrente voortaan voor kiesrecht in aanmerking zoude doen komen; bovendien werd naast den inleg van zekere som in de Rijkspostspaarbank, ook de inleg bij gemeentelijke en andere nader omschreven spaarbanken als kenteeken voor kiesrecht aangenomen, en bleef de kring van examens, welke de kiesbevoegdheid deden deelachtig worden, niet tot die, welke van Regeeringswege werden afgenomen, beperkt.

De wet van 1900 heeft dus de beginselen, waarvan de wetgever van 1896 is uitgegaan, onaangetast gelaten. Dat het stelsel der kieswet echter reeds ten tijde der indiening van de wet van 1900 door eene krachtige partij in de Tweede Kamer onvoldoende werd geoordeeld, was reeds vroeger gebleken, bij gelegenheid van de behandeling eener motie-Troelstra, luidende : »De Kamer, zich in beginsel verklarende voor de invoering van algemeen kiesrecht, gaat over tot de orde van den dag."

Wel werd in de vergadering van 4 Mei 1899 deze motie verworpen, maar het feit, dat zij bij 30 leden der Kamer ondersteuning vond, gevoegd bij de omstandigheid, dat meerdere leden tegenstemden op gronden, aan de wenschelijkheid van invoering van het algemeen kiesrecht vreemd, bewijst voldoende, hoe aanzienlijk toenmaals de strooming in de Kamer was, die het kiesrecht op breedere basis wenschte te zien opgetrokken.

Sluiten