Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechten, en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebben.

Niet onvermeld mag hier gelaten worden het in artikel 7 van de Additionneele Artikelen der Grondwet van 1848 opgenomen „Voorloopig Kiesreglement", in zooverre als het de wijze van verkiezing van de leden der Eerste Kamer regelde voor den tijd, gedurende welken de inrichting der Provinciale Staten overeenkomstig de nieuwe Grondwet nog niet gereed zoude zijn.

Dit Kiesreglement, hetwelk bepalingen bevatte omtrent de verdeeling des Rijks in kiesdistricten, schreef voor, dat in ieder der 68 kiesdistricten die het instelde, twee candidaten voor de Eerste Kamer zouden worden gekozen door de kiezers voor de Tweede Kamer, en dat uit de aldus verkozen 13(5 candidaten de Koning de 39 leden der Eerste Kamer zoude benoemen.

De Grondwetsherziening van 188? heeft in het systeem der wijze van verkiezing en der verkiesbaarheid van de leden der Eerste Kamer slechts geringe verandering gebracht. Intusschen heeft het bij die gelegenheid niet ontbroken aan voorstellen, om in den bestaanden toestand cardinale wijziging te brengen.

De bij Koninklijk besluit van 11 Mei 1884 ingestelde Staatscommissie voor Grondwetsherziening had gemeend, in deze materie geene veranderingen te moeten voorstellen. Verschillende harer leden konden zich echter met dit besluit der meerderheid in de Commissie niet vereenigen, en zoo werd dan ook in eenige der afzonderlijke, bij het rapport der Commissie gevoegde, adviezen op wijziging van de bepalingen betreffende de samenstelling der Eerste Kamer aangedrongen.

Zoo achtte de Heer van Nispen, ten einde aan het recht van ontbinding der Eerste Kamer eene wezenlijke beteekenis te verzekeren, öf rechtstreeksche verkiezing dier Kamer door de kiezers der Tweede Kamer uit de hoogst aangeslagenen, öf toekenning aan de Kroon van de bevoegdheid

Sluiten