Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noemen — de uitgaven voor het lager onderwijs worden verlaagd met de ontvangen schoolgelden en met de onderwijssubsidie, dan blijkt dat in 1898 de totale uitgaven, per ziel bedroegen f 20.77 en dat die zelfde uitgaven in 1900 hebben bedragen f 25.06, zijnde dus een stijging in 8 jaar van f 4.29 of van gemiddeld f 0.53 per jaar en per ingezetene of makende voor de geheele gemeente een gemiddelde jaarlijksche klimming van 3 ton.

Tegenover deze stijging stonden de volgende gemiddelde klimmingen der inkomsten:

privaatrechtelijke bezittingen (huren, pachten etc.) groeiden per inwoner van in 1898 ad f 1.045 tot f 1.895 in 1906 of met f 0.25, dus per jaar met f 0.03. (Wij hebben hierbij te denken aan de Amsterdamsche grondpolitiek met haar erfpachtstelsel en merken op, dat de hoofdstad dus wel spaart); de gemeentebedrijven stegen in opbrengst van f 1.41 op f 2.73 of met f 1.32, zijnde per jaar ƒ0.17.

De subsidies stegen per inwoner niet.

Tegenover de gemiddelde klimming der uitgaven in de laatste 8 jaar ad f 0.53 valt dus een gemiddelde stijging der inkomsten ad /' 0.20 waar te nemen.

Het verschil, dat niet gedekt wordt en dat voortdurend grooter wordt, dient uit belastingen en retributies gevonden te worden, en dat deze. gezien de gestadige klimming der tekorten ook geregeld zullen moeten klimmen, is natuurlijk.

Vergelijken wij wat verschillende gemeenten per hoofd der bevolking hieven aan gem. opcenten op de grondbelasting, op de personeele belasting en aan hoofdelijken omslag of inkomstenbelasting, dan vindt men:

Gemeente. 1898. 1904. Gemeente. 1898. 1904.

Amersfoort. . .ƒ5.14 /'5.50 Oosterhout. . .f 2.16 f 2.27

Utrecht 7.57 „9.14 Tilburg 2.13 „2.51

Haarlem . . . „ 7.73 „ 9.96 Groningen . . . „ 5.96 „ 9.50

Rotterdam. . .„5.77 „8.07 Veendam . . .„3.98 „5.56

Helder . . . .„4.36 „4.40 Opsterland. . .„3.12 „2.61

Gorinchem. . .„5.64 „5.92 Venray . . . .„0.77 „1.14

den Bosch. . .„4.38 „4.51 Achtkarspelen .„2.39 „2.59

Sluiten