Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijke belastingsom van f 10.— aangegeven staan. Ik merkte daarbij op dat deze belastingcijfers op zichzelf nog heel weinig zeggen omtrent de financieele gesteldheid der gemeenten; en we zien hier nu in het gestelde voorbeeld een bewijs daarvoor. In A. en B. wordt per h. d. b. f 10.— geëischt, maar A's belastingschuldige betaalt bij een bepaald inkomen maar de helft van iemand met gelijk inkomen in B.

De gemeente B kan dus zoogenaamd in nood verkeeren, terwijl de gemeente A. bij dezelfde belastingsom p. h. d. b. vrij van zorgen is.

Uit dit voorbeeld wordt tevens duidelijk het ontstaan der drukverschillen tusschen de gemeenten, waar de belastingsommen niet of niet veel verschillen.

Den Haag, dat als groote stad geen goedkoop budget voert, en waar de belasting per hoofd ook vrij groot is. behoeft zich daarover niet te bekommeren, want den Haag is een rijke gemeente, het belastbaar inkomen is er groot en dus het belastingpercentage laag.

Amsterdam, dat mede als groote stad en hoofdstad een duur budget heeft, zou, ook al ware dit budget niet duurder dan dat der residentie, er veel erger aan toe zijn. omdat hier het belastbaar inkomen betrekkelijk zooveel minder bedraagt dan daar.

Zoo vormt dus op een gegeven oogenblik het dan bestaande ongedekt tekort tusschen uitgaven en inkomsten in verband met het belastbaar inkomen den noodstand eener gemeente.

We zagen, dat tengevolge van de klimmende uitgaven de belastingsommen allerwege stijgen, en het is noodig na te gaan, hoe die belastingklimmingen werken in verband met het belastbaar inkomen.

Als op een gegeven oogenblik A en B een gelijke meerdere uitgave van f 200,000 moeten doen, dan zal in het rijke A dit bedrag gevonden kunnen worden door verhooging der belasting met een half percent, immers 200,000 is y2 % van 40 millioen belastbaar inkomen. In 't armere B is die f 200,000 pas te verkrijgen

Sluiten