Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door een verhooging met een vol percent, omdatƒ200,000 = 1 % van f '20,000,000 belastbaar inkomen is.

Het percentage in A klimt dus van 2% op 3 %, in B van o op b /0. Was het drukverschil tusschen die twee gemeenten dus vroeger 2% %. nu is het 3 % geworden. Hieruit blijkt dat bij de door ons geconstateerde klimming der uitgaven de verzwaring van den belastingdruk het snelst plaats grijpt bij de arme gemeente en dat dus de

onderlinge drukverschillen bij de gemeenten steeds grooter worden. 6

De gestadige klimming der belastingen voert dus de aan belastbaar inkomen zwakke gemeente het snelst naar de ellende; bij de rijkere gemeente verzwaart de lagere belastingdruk langzamer. Dit feit alleen moet voor het rijk voldoende zijn om geen nieuwe bemoeiingen op de schouders der gemeenten te laden. De sterke gemeente zal dien meerderen last wellicht zonder nadeelige gevolgen torsen; de arme gemeente zal er onder lijden.

Het beeld, dat ik bezig ben te schetsen, is nog niet af

Hij hebben reeds in het oog gehouden het bewegelijk en klimmend karakter der belastingen, maar wij hebben tot nog toe het belastbaar inkomen als vaststaand beschouwd, en dat is volstrekt onjuist. Het belastbaar inkomen is ook bewegelijk; alleen het kan in eene gemeente zoowel betrekkelijk klimmen als betrekkelijk dalen. In periodes van bloei neemt het per ziel toe. in tijdperken van reactie neemt het per ziel af. Vestiging van vermogenden doet het p. h. d. b. stijgen, van onvermogenden doet het p. z. dalen. Vertrek van vermogenden en onvermogenden werkt omgekeerd.

De lijn van de belastingstanden in een gemeente in de toekomst wordt dus bepaald zoowel door de klimmende ongedekte tekorten tusschen uitgaven en inkomsten als door den loop van het belastbaar inkomen.

Dat inkomen kan in een gemeente door gestadige vestiging van gefortuneerden voortdurend zóódanig klimmen , dat het mogelijk is, dat het belastingpercentage er afneemt.' niettegenstaande de uitgaven en de belasting per hoofd

Sluiten