Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen de Heeren Kan en Raedt blijkt al, dat Edara, ook al zou het beide belastingen zonder eenige teruggave krijgen, zoo goed als geen hulp erlangt.

En maakt men voor Emmen de rekening op. dan krijgt men hetzelfde resultaat.

Het voorstel der Heeren Treub en Kan brengt de quaestie niet tot oplossing.

De Heeren van Nierop en van Schaeck Mathon gaan dieper op subsidiewijziging in.

Zij meenen dat het, ook met uitbreiding van het gemeentelijk belastinggebied, niet aangaat de subsidie ongewijzigd te laten en zij merken op. dat de per inwoner vastgelegde uitkeering volgens de wet van 1897 vrijwel overal in beteekenis is afgenomen, omdat de belastingen na dat jaar vrijwel overal gestegen zijn.

Zij stellen nu voor de verhouding, die er in 1898 bestond tusschen de subsidie en de toen geheven belastingen, weer te herstellen.

Dientengevolge zullen verreweg de meeste gemeenten een hoogere subsidie verkrijgen. Als een gemeente in 1898/ 10 per inwoner hief en ƒ 3 subsidie ontving, terwijl nu de belasting f 12 per hoofd beloopt bij dezelfde f 3 subsidie, dan moet volgens het voorstel de uitkeering verhoogd worden in reden van 13 tot 15, en dus stijgen tot f 3.40.

Jammer genoeg worden met dit voorstel de fouten, die de wet van 1897 aankleefden, wederom aanvaard.

De voornaamste is wel, dat die wet niet progressief rekening hield met de hoogte van den nood. Zij gaf bijvoorbeeld als subsidie 30% van de belastingen, onverschillig of die belastingen met een laag of een nijpend percentage werden verkregen. En nu kan een subsidie van 30 % zeer voldoende, ja zelfs onnoodig royaal zijn bij een geringen last; maar zij kan véél te laag zijn als de belastingen sterk zijn opgeschroefd.

Laten de heeren van Nierop en Mathon nu mechanisch de subsidie stijgen met liet belastingbedrag, dan zullen zij

Sluiten