Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4-adelphische; de zetmeelkorrels kunnen overigens in alle mogelijke toestanden van zwelling voorkomen. Vele melksapbollen van 100 >x en geringer middellijn; in verdunde ioodoplossing geel gekleurd, en uit een emulsie bestaande. Dunwandige, dikwijls in rijen gerangschikte, soms bruine parenchymcellen, niet zelden met al of niet gezwollen zetmeel gevuld. Deelen van de kurklaag, uit 5- tot 6-hoekige, eenigszins gerekte cellen met roodbruine wanden bestaande. Stukken van gestippelde vaten, soms ladder- of spiraalvaten. Ki-istalsterren. Enkele sclerenchymcellen met niet zeer sterk verdikte, geelachtige wanden met duidelijke lagen en stippelkanalen.

Reuk eigenaardig; smaak eerst flauw, daarna scherp.

•Talappewortel moet minstens 8 pet. hars bevatten. Het harsgehalte wordt op de volgende wijze bepaald: Kook 2 G. poeder van Jalappewortel (B.,0) met 20 cM? sterken spiritus gedurende ] ys uur onder terugvloeiing; vul, na bekoeling, tot liet oorspronkelijke gewicht aan en filtreer, zorg dragende, dat zoo weinig mogelijk verdamping plaats heeft. Damp 15 cM? van het filtraat op een waterbad tot droog uit: wasch de verdampingsrest met 10 cM? warm water, en droog bij 105°. Het gewicht van de achtergebleven hars mag niet minder dan 120 mG. bedragen.

Radix Liquiritiae. Zoethoutwortel.

De in den grond verborgen uitloopers en de wortels van Glycyrrhiza glabra, Lixn. Sp. PI. 742, of van G. glabra, var. glandulifera, Waldst. & Kit. PI. Rar. Hung. I. 20. t. 21.

Stukken lang 5 tot 10dM., dik 5 tot 25 mM.; vast, taai,zwaar; rolrond, gewoonlijk onvertakt. Oppervlak overlangs gerim-

Sluiten