Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weervergolden worden? Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid!

Staat Kohlbrügge nu daarin geheel alleen? Neen. Hoewel Calvijn niet bij de uitlegging scheiding maakt tusschen „beeld" en „gelijkenis", zoo stemt hij toch toe, dat Adam het beeld Gods gedragen heeft, voor zoover hij met Hem verbonden was (Inst. II, 12, 6). En: Gelijk het geestelijk leven van Adam daarin bestond, met zijn Maker verbonden en Hem onderworpen te zijn, zoo was de afval van Hem de ondergang der ziel (Inst. II, 1, 5)* Zóó zegt ook onze Geloofsbelijdenis (Art. 14), dat de mensch zich van God, die zijn ware leven was, door de zonde heeft afgescheiden.

Zelfs Dr. van Lonkhuijzen geeft toe, bl. 389: „Zoo is dit de verdienste van Kohlbrügge, die wij dankbaar erkennen, dat hij n.1. „met kracht er weer op wijst, dat het beeld Gods nooit mag „losgemaakt worden van God ; dat de mensch al zijne heerlijkheid „bezit in afhankelijkheid van God; dat de mensch los van God „niets anders is dan stof en asch, minder dan niet en ijdelheid, „dat dus zijn heerlijkheid en geluk alleen in God ligt."

Wat zal dan volgens Dr. van Lonkhuijzen het verkeerde zijn ? Dat het beeld Gods volgens Kohlbrügge niet tot het wezen van den mensch behoort. Daarop kunnen we eerst ingaan, wanneer wij ook den val des menschen behandeld hebben. Voorts: dat het beeld Gods volgens Kohlbrügge niet in den mensch ingeschapen zou geweest zijn als iets positiefs (bl. 390). Vooral wordt de nadruk gelegd (zie o. a. Stelling 7) op de scherpe ontkenning, dat het beeld Gods in den mensch zou gelegd zijn, zooals b.v. in den brief aan Drost. (Van Lonkhuijzen Bijlage B bl. 19.) Dat echter Gods beeld in den mensch was, staat nergens in de Schrift. Ook onze Belijdenissen leeren wel, dat de mensch naar Gods beeld gemaakt is, maar niet, dat dat beeld in ons was. En ais wij onder het beeld Gods dat verstaan, wat de brief aan Drost er onder verstaat, namelijk: de uiting van Gods Wezen en Zijne heerlijkheid, dan zouden wij door te leeren, dat zulks in den mensch was, komen op de lijn der verderfelijke ketterij van Osiander, die eene wezenlijke inwoning Gods in den mensch stelde.

Maar de mensch op zichzelf wordt zoo laag gesteld? Hij wordt stof genoemd, een niet-zijn. Wat zegt de Schrift? Dat de mensch geschapen is uit het stof der aarde. „Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren!" „Hij weet wat maaksel wij zijn, en is gedachtig, dat wij stof zijn". (Ps. 103:14) Abraham erkent het voor Gods aangezicht, dat hij stof en asch is. (Gen. 18:27)

Sluiten