Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de zinnelijkheid, als zou de mensch goed zijn, wanneer hij maar zijn lichaam geweld aandoet, en boven het lichaam verheven is. Daarbij blijft men dan zelf goed, en houdt men zelf wat over. Of men beschouwt ze als iets wezenlijks, als eene stof, een gif, dat van den een op den ander wordt overgeërfd en overvloeit, en zoo weet men het altijd elders te zoeken, dan bij zichzelven. Die dwaling heeft de kloosters gebouwd, en is ook in den tijd der Hervorming niet altijd geheel verwijderd. Hoe Zwingli ze naast zijne anders zoo uitnemende beschouwingen heeft gehuldigd, is onlangs door Dr. Oorthuis aangetoond. (Dr. Q. Oorthuis, De Anthropologie van Zwingli, Leiden 1905.)

Laat thans Kohlbrügge zelf aan het woord komen. Vooreerst zijn hier in het geding gebracht enkele plaatsen uit zijn Catechismus: „Die Lehre des Heils", waarbij wij echter dit opmerken, dat deze Catechismus nimmer door Dr. Kohlbrügge is uitgegeven of in de catechisatie is gebruikt; aldaar liet hij vooral den Heidelbergschen Catechismus leeren, en hen, die verder ontwikkeld waren, zijne „Vragen en Antwoorden ter opheldering en bevestiging van den Heidelbergschen Catechismus".

In de „Lehre des Heils" dan lezen wij Vr. 7. „Wat is zonde? „Alles wat Gods Woord niet voor zich heeft. Vr. 8. Wat is boos? „Hetgeen niet op zijne plaats gebleven is, waar God het „gezet heeft. Vr. 15. Wat is uit ons geworden? Juist hetzelfde, „dat uit allen wordt, die Gods Woord niet bewaren: stof op „zichzelf zijnde, keeren zij tot het stof terug. Vr. 17. Wat was „daarvan het noodzakelijk gevolg? Doordien ik uit mijne plaats „trad en het leven, dat ik in God had, verliet, ben ik onder de „macht des duivels gekomen, die mij sedert met den prikkel des „doods verwondt en mij met de macht van zonde en hel omgeeft."

Hier houdt Dr. van Lonkhuijzen (bl. 400) op met lezen, en geeft de opmerking: „Naar deze laatste uitstraling heeft de zonde „feitelijk niet 's menschen natuur aangetast; de mensch komt „alleen onder andere uitstraling. Er wordt toch met geen woord „gesproken over het bederf onzer natuur. Bij het „boos zijn" „had men ten minste eene uitspraak over's menschen omgeslagen „zedelijke kwaliteiten verwacht, maar het „boos zijn" gaat geheel „op in het niet op zijne plaats gebleven zijn en in de „omstra„ling" des duivels en der zonde gekomen zijn."

Ik moet zeggen, dat ik van deze wijze van beoordeelen met verontwaardiging kennis genomen heb.

Waarom leest Van Lonkhuijzen dan niet eenige vragen verder?

„Vr. 25. Komt het echter niet door slecht voorbeeld, dat

Sluiten