Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(zich verzetten) des vleesches ingezet in het element van heiligheid, geloof en goede werken. Men gevoelt, het is alles klaar en eenvoudig." (bl. 427, 428)

Zóó eenvoudig is dat alles nog niet. Wat bedoelt toch Van Lonkhuijzen met uitdrukkingen als „iemand in onze zonde inwikkelen', of dat „onze zonde niet op, maar in Christus gelegd" zou zijn, welke beide uitdrukkingen door hem aan Kohlbrügge slechts zijn toegedicht?

Bergen van misverstand zijn er in dezen uit den weg te ruimen.

Waar is het bij Kohlbrügge om te doen? „Ik moet eenen „mensch hebben, die met mij gevoelen kan, die jegens mij „barmhartig zijn kan, die ondervonden heeft wat ik heb onderbonden, om door den toorn Gods heen te komen; die dezen „vreeselijken toorn kent, en hem in zijn binnenste heeft gevoeld, „zooals ik en mijne broeders. En nochtans moet hij zóó rechtvaardig zijn, dat hij niet een enkele zonde heeft gedaan, anders „moet hij voor zijne eigene zonde en schuld betalen, en ik ben „verloren! Waar is hij, die in mijn vleesch komt, die met mij „gevoelt, die met al mijn lijden en met mijnen nood medelijden „heeft, die doorgebroken is door den toorn heen, en rein staat voor „God? Waar is hij, die voor mij betaalt, en mijne onmetelijke „schuld op zich neemt? Wiens betaling eeuwig geldt voor God, „eene eeuwig geldende genoegdoening is? („Eene onderwijzing" bl. 18) „Zonde, schuld en straf moeten weggenomen, verzoend, „uitgedelgd, gedragen zijn. Zulks kan alleen geschieden door „iemand, die in het vleesch komt, dat is, die in onzen van God „afgekomen toestand is en nochtans voor zichzelf van geene „zonde weet, geene schuld gemaakt, geene straf verdiend heeft." (Vragen en antwoorden tot opheldering en bevestiging van den Heidelb. Catechismus bij Vr. 12.) En hoe wordt aan deze behoefte beantwoord? In de „Lehre des Heils" zegt Kohlbrügge: „Wij „zijn vleesch, dat is: niet Geest, dus: geheel van God ontledigd, „den duivel en den dood toegevallen. In zulken toestand wandelde „de Heere hier voor ons, en was toch in zoover niet hetgeen „wij waren, als Hij het voor ons deed, Hij echter op zichzelf „de Heere in den hemel was." (Vr. 186 —antwoord op de vraag naar de beteekenis der vleeschwording.)

Wil men nader weten, wat er mede bedoeld werd ? Wij nemen de preek over Lucas 3: 21, 22, bl. 12, 13 (III® Twaalftal). „„Ach! slaat eens een blik in het harte Gods; dat was God welge„vallig, dat Zijn heilig Kind Zich met het volk, met ons had

Sluiten