Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„henen gaat als zonde, beladen met den vloek,het eigendom geworden van hem, die het geweld des doods heeft, geheel buiten staat „God te behagen of Zijne Wet te vervullen en zich te midden „van allen tegenstand aan God te houden, prijsgegeven aan „eiken invloed van alle zichtbare en onzichtbare machten, welke „tegen den levenden God strijden. Dat Jezus in zulk een vleesch „gekomen is, erkenden en beleden de vele verleiders niet, en gij „M. G. hebt naar aanduiding van het Woord Gods het kenteeken, „wie de verleider en antichrist is, te weten, die zulks niet belijdt.

„Vleesch heet ook bij God zonde, en deszelfs inwendig „bestaan, zijn streven en doen wordt ook door God met den „naam van zonde bestempeld. Dat Jezus in zulk een vleesch „gekomen is, betuigt de Apostel ook, waar hij schrijft: 2 Cor. 5:21; „Gal. 3: 13; Hebr. 2: 17, 18." — Gewezen wordt op Ps. 40: 13 (cf. vs. 7—9) en Ps. 41: 5 (cf. vs. 10) Ps. 69: 6 (cf. vs. 10).

„Maar het Woord Gods is tweesnijdend. Dengenen dus, „die daarin eene oorzaak mochten meenen te vinden voor het „vleesch, hetwelk de ketterij liefheeft teneinde aan de ondeugd „den teugel te kunnen vieren, hun worde het daarom voor„gehouden, dat Jezus evenwel geen zondaar is geweest, want „Hij werd door de werking des Heiligen Geestes en de over„schaduwing des Allerhoogsten uit de maagd Maria geboren, „en daarom door den engel Gabriël „dat Heilige" genaamd, en de Vader betuigt van Hem: Deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde, „in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.... 2 Cor. 5: 21; Hebr 4-15„1 Petr. 2: 22."

„Maar hierin ligt toch eene tegenstrijdigheid, zal menigeen „denken; daarop antwoord ik: Blijft dan een koning niet een „koning, wanneer hij zich in eene armoedige woning begeeft, „in het uiterlijke aan den armen en ellendigen onderdaan gelijk? „is hij daar niet waarachtig arm en ellendig voor den ellendige? „is desniettegenstaande deze armoede en ellende voor hem niet „iets vreemds? is hij nu daarom arm en ellendig in zichzelf, of is en

„blijft hij evenwel niet de machtige en groote koning? En

„wanneer hij nu met de ellendige middelen, die voorhanden „zijn, door zijne wijsheid alles weder zoo herstelt, dat alles, „waar hij de hand aan slaat, van het begin tot den einde toe, „goed gelukt, niettegenstaande hem ieder ding onder de hand „schijnt afgebroken te worden; — zal het dan niet openbaar „worden, dat hij waarlijk arm en ellendig voor de armen en „ellendigen is geweest, en dat hij nochtans geheel en al groot van „goedheid gebleven is, en alles zonder fout weder hersteld heeft?

Sluiten