Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'ti solidariteit met ons in de erfenis in willen komen. Hij moest mensch worden „omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de menschelijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde". (Catechismus Vr. 16.) „In alles is Hij Zijnen broederen gelijk geworden", daarvan mogen wij niet de erfschuld uitzonderen. Werd Hij „de Zoon des menschen", dan nam Hij onze erfenis op Zich. Willekeur is er hier niet.

Nog moet geantwoord worden op hetgeen Dr. van Lonkhuijzen tegen de stelling inbrengt op grond van 2 Cor. 5 : 21, dat God Hem zonde heeft gemaakt. Anders moest er volgens hem staan: dat Jezus zonde voor ons is geworden. Mij dunkt echter, dat daaruit zulks niet kan worden afgeleid. Onderwerp is hier en in het voorgaande God. Er zou dus moeten staan: „doen worden", hetgeen echter in 't Grieksch moeilijk anders dan door „maken" kan weergegeven worden. Dit woord „maken" kan dus zeer goed zóó opgevat worden, dat God onzen Heere heeft doen worden tot zulk een, die met den vloek van het menschdom beladen was, ofschoon Hij Zelf geen zonde kende Men denke overigens aan Galaten 3: 13 en 4: 4. Op beide plaatsen staat: worden.

De voorstelling van Christus, als komende door Zijne geboorte in onze erfschuld, wordt dus, mits juist opgevat, geëischt door Schrift en Belijdenis, terwijl de bezwaren er tegen uit de Schrift aangebracht, geen steek houden. Nog vele bezwaren zijn er tegen geopperd. Dr. Kuyper heeft er 12 van gemaakt Wij kunnen ze tot enkele terugbrengen.

Vooreerst zou men Christus alzoo persoonlijk schuldig maken. Hij zou dan in Adam mede gezondigd hebben. Dat berust op de verkeerde verklaring van Rom. 5: 12, die wij reeds hierboven hebben afgesneden, en de voorstelling, als waren wij persoonlijk, althans wat den wortel onzer persoonlijkheid aangaat, in Adam aanwezig geweest, waarvoor geen enkele grond in de Schrift te vinden is. Wij gaan niet verder, dan dat God het menschdom volgens de Schrift als één geheel, als solidair vóór Zich ziet. En zóó kreeg Christus dus deel aan de schuld, toen Hij in de solidariteit der menschen intrad.

Vervolgens zou vervallen het plaatsvervangende dragen van onze schuld. Het zou Zijne schuld worden, waar Hij persoonlijk voor moest opkomen, zoodat Hij niet voor anderen kon betalen. Ware dat zoo, dan zouden er geen woorden genoeg zijn om deze leer te veroordeelen, want met het plaatsvervangend, borgtochtelijk lijden van Christus vervalt alles. Maar wij hebben

Sluiten