Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boven gezien, dat de bedoeling alzoo niet is. Christus kwam zóó te staan, dat Hij wel is waar als mensch deel had aan de schuld, die de mensch gemaakt had, solidair werd met het menschelijk geslacht en zijne vervloekte erfenis, maar toch was en bleef de schuld Hem eene vreemde schuld.

Vooral wordt er echter gezegd : Daar erfschuld noodzakelijk erfzonde ten gevolge heeft, zoo moest Christus ook in de erfzonde ingewikkeld worden. Zóó is het bij ons. Maar bij Hem was het anders. Hier komt juist de groote misvatting aan het licht. Deed Kohlbrügge den mensch in zijn stand opgaan, was erfschuld aan erfzonde gelijk, dan moest ook het zijn in de erfschuld noodzakelijk een zijn in de erfzonde ten gevolge hebben. Wij hebben echter boven gezien: erfschuld en erfzonde worden als oorzaak en gevolg onderscheiden. Is het nu zóó, dat ten gevolge der erfschuld eene soort zonde-substantie van de ouders in de kinderkens overvloeit? Neen, door de zonde is de dood tot alle menschen doorgedrongen, het gescheiden-zijn van God. Dat oordeel heeft de zonde ten gevolge. Het gaat niet werktuigelijk toe. Maar nu is de vraag: Zal de dood ook Hem beheerschen, Die het Leven is, Die God is? Neen, waar alles er op aangelegd was, dat Hij de zonde zou overvallen, heeft Hij die schrikkelijke macht der zonde tot het einde Zijns levens tegengestaan. Wij hebben boven gezien, welken strijd dat gekost heeft, maar juist zóó heeft Hij overmocht. Te zeggen, dat erfschuld ook bij Hem erfzonde ten gevolge moest hebben, is in den grond der zaak: zeggen, dat de macht der zonde sterker moet zijn dan de Christus Gods. Het is mitsdien verre vandaar, dat Kohlbrügge hier voor de keuze geplaatst zou zijn: of de begeerte geene zonde te achten, öf Christus in de zonde in te wikkelen, öf bij Christus, naar de wijze der Nestoriaansche ketterij, meer dan één persoon te veronderstellen. Nergens vinden wij dan ook eene dier gruwelijke dwalingen. Voor verdere bezwaren er tegen ingebracht verwijzen wij naar de Aanteekeningen. (Aanteekening 14.)

Ten slotte haalt Van Lonkhuijzen er nog een naam bij, die al veel dienst heeft moeten doen, om Kohlbrügge en zijne geestverwanten in miscrediet te brengen, namelijk dien van Bula, die in een werk uit het jaar 1874 („Die Versöhnung des Menschen mit Gott durch Christum oder die Genugthuung") zeer sterke uitdrukkingen heeft gebezigd aangaande het vleesch, waarin Christus verscheen; hij spreekt o. a. van een onbekwaam, opstandig, weerbarstig en lijdensschuw vleesch". S. 240.

Sluiten